Onalledaagse muziekpoëzie

Al twintig jaar staat Edith Leerkes met haar akoestische gitaar naast Herman van Veen. Met haar in het klassieke idioom geschoolde spel maakt ze zich dienstbaar aan het totale muziekmozaïek dat Van Veen in zijn voorstellingen pleegt op te roepen, van donzen chansons via lichtvoetige jive tot en met de weemoed van Balkan-echo’s. Maar pas nu staat ze zelf in het middelpunt, op een cd met eigen liedjes, geproduceerd door haar zoon Marnix Dorrestein die dit najaar ook Van Veen zelf een nieuw popgeluid gaf. Hier gaat Leerkes’ klassieke gitaar wonderwel samen met de beweeglijke ritmes die Dorrestein uit zijn synthesizer haalt, de strijkers die soms opduiken, en de koortjes die af en toe op kousenvoeten een refreintje meezingen. Haar teksten zijn veelal impressionistisch en wemelen van onverwachte woorden en zinswendingen. Niet alles is al op het eerste gehoor begrijpelijk, maar onalledaags is haar muzikale poëzie wel.