Een Joodse staat? Niet volgens de Arabieren

Oppositieleider Herzog is net als minderheden tegen omstreden basiswet, maar volgens Netanyahu is er geen sprake van discriminatie.

Het equivalent van een kabinetsvergadering op de Tempelberg. Zo noemde oppositieleider Isaac Herzog de ‘Basiswet: Israël als de natiestaat van het Joodse volk’, waarmee het Israëlische kabinet gisteren instemde. Hiermee doelde Herzog op het provocatieve karakter van de wet: als het kabinet op de Tempelberg in Oost-Jeruzalem zou vergaderen, zouden de Palestijnen in grote woede ontsteken.

In de nieuwe wet wordt Israël gedefinieerd als Joodse, democratische staat waar alleen het Joodse volk recht heeft op nationale zelfbeschikking. De Britse filosoof Michael Dummett formuleerde nationale zelfbeschikking: „Iedereen heeft het recht te leven in een land waarin hij en anderen van een groep waartoe hij behoort niet vervolgd, onderdrukt of gediscrimineerd worden […] en waarin hij zich kan identificeren met de staat onder wiens soevereiniteit dat land valt.”

Volgens tegenstanders kan deze basiswet – Israël heeft geen grondwet, maar basiswetten hebben er grondwettelijke status – grote gevolgen hebben voor de positie van niet-Joodse minderheden in het land, vooral Arabieren. In een eerdere versie van de wet zou het Arabisch worden afgeschaft als officiële landstaal. Die clausule is geschrapt, maar het woord ‘gelijkheid’ komt er niet in voor, reden waarom bijvoorbeeld minister Livni tegen de wet heeft gestemd.

Premier Netanyahu heeft in een aparte verklaring verzekerd dat geen sprake zal zijn van discriminatie. Op zijn beurt hoopt minister Bennett (Industrie) dat de wet regelt dat „de inwoners van Zuid-Tel Aviv geen last meer zullen hebben van infiltranten”. Zuid-Tel Aviv staat bekend om zijn grote concentratie Afrikaanse immigranten.

Ook al zou de wet formeel niet discrimineren, ze leidt tot onbehagen bij de Palestijnen die in Israël leven. Zij vormen circa 20 procent van de bevolking van bijna acht miljoen mensen. Bij hen leeft toch al het gevoel dat ze worden achtergesteld. Zo gaat er minder geld naar Arabische gemeenten, krijgen ze minder snel bouwvergunningen en zijn ze vaker het slachtoffer van politiegeweld. De nieuwe wet zal hun onbehagen niet wegnemen.

De wet wordt voorgelegd aan het Israëlische parlement, de Knesset. Het is bepaald onzeker of de wet het daar zal halen. De zekere voorstemmers – Likud/Yisrael Beitenu en Het Joodse Huis – hebben samen 43 van de 120 zetels. Met de achttien zetels van de twee ultraorthodoxe partijen zouden ze op een meerderheid komen, maar die hebben al aangekondigd tegen te stemmen. Van de coalitiepartijen Yesh Atid en Hatnuah hebben de ministers tegengestemd. De ministers Lapid en Livni hebben aangekondigd dat ook hun fracties de wet niet steunen.

Netanyahu leidt een zeer wankele coalitie, die bestaat uit partijen van centrum-links tot uiterst rechts. Volgens sommige commentatoren neemt de premier met deze wet bewust de gok dat het kabinet erover zal struikelen. Hij heeft er vertrouwen in dat zijn partij Likud bij vervroegde verkiezingen opnieuw de grootste zal worden, waardoor hij verder kan als premier.

In deze lezing zou Netanyahu zich met deze wet ook willen profileren als een staatsman die het Joodse karakter van Israël bewaakt. Dat zou het goed doen bij het Israëlische electoraat, dat meer en meer opschuift naar rechts.