Collectie van Gurlitt naar Zwitserland

Museum Bern krijgt 1.500 werken, Duitsland zet onderzoek herkomst voort.

Na een half jaar bedenktijd heeft Kunstmuseum Bern de erfenis geaccepteerd van de op 6 mei overleden Cornelius Gurlitt, de zoon van een bekende kunsthandelaar die werk verrichtte voor Hitler. De erfenis bestaat, behalve uit onroerend goed (een huis en een appartement), uit zo’n 1.500 kunstwerken waarvan een deel tijdens het nazibewind is geroofd, in beslag genomen of onder druk gekocht van veelal joodse families.

Het museum, de Duitse bondsregering en de deelstaat Beieren gaven vanochtend een gezamenlijke persconferentie. Daar werd bekendgemaakt dat Duitsland het onderzoek naar de herkomst van de kunst in de collectie zal voortzetten. Ook zal Duitsland de kosten op zich nemen van eventuele rechtszaken die slachtoffers van het Derde Rijk, of hun nazaten, zullen aanspannen tegen het museum, indien de herkomstdeskundigen niet de conclusies trekken die zij rechtvaardig achten.

Die kosten zullen niet gering zijn. De Amerikaanse kunstverzamelaar, oud-politicus en huidige voorzitter van het Joods Wereldcongres Ronald Lauder voorspelde onlangs „een lawine” aan rechtszaken.

De drie partijen reageerden vanmorgen ook op de onverwachte actie van de 86-jarige nicht van Gurlitt, afgelopen vrijdag. Zij stapte naar de rechter om het testament ongeldig te laten verklaren. Een door haar ingeschakelde psychiater heeft verklaard dat Gurlitt paranoïde trekken vertoonde toen hij, kort voor zijn dood, het testament opstelde. Hij zou niet wilsbekwaam zijn geweest. De nicht, die eerder haar steun had uitgesproken voor de gift aan het museum, wil dat de erfenis alsnog toevalt aan haar en haar broer, de 94-jarige Dietrich Gurlitt. De broer, zo bleek dit weekeinde, steunt haar niet.

De partijen vinden dat de overwegingen van Cornelius Gurlitt om het Kunstmuseum aan te wijzen als erfgenaam belangrijker wegen dan de bezwaren van de nicht.

Duitsland had het museum aangeraden de erfenis te accepteren. Dat zeggen betrokkenen bij de onderhandelingen op voorwaarde van anonimiteit. Het land kreeg stevige kritiek omdat het de inbeslagname van Gurlitts collectie anderhalf jaar geheim had gehouden, tot een Duits weekblad die in november 2013 openbaarde. Ook hadden de Duitse autoriteiten slechts één, redelijk onervaren deskundige onderzoek naar de kunst laten verrichten.

Tegelijk groeide de kritiek op de autoriteiten omdat er geen juridische grond bleek te bestaan voor de inbeslagname van de kunst. De verdenking, belastingfraude, stond niet in verhouding met de inbeslagname. Bovendien is het bezitten van roofkunst, door een particulier, niet strafbaar. Ook zijn er honderden werken in de verzameling die voor 1933 legaal zijn gekocht.

Als Gurlitt niet was overleden, had hij zijn collectie snel moeten terugkrijgen. Dat zou internationaal voor nog meer verontwaardiging hebben gezorgd over de collectie, waarvan de kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt – vader van Cornelius – altijd had beweerd dat die in de brand van Dresden in 1945 was verwoest.