‘Che Guevara'-oratorium is imposant humanistisch stuk

De wereldpremière van Das Floß der Medusa was in 1968 een aangekondigde rel. Hoewel componist Henze zijn werk opdroeg aan Che Guevara, een jaar eerder vermoord, waren verschillende linkse groeperingen eropuit de componist als ‘conservatief’ te ontmaskeren. Studenten ontrolden een Guevara-poster, communisten en anarchisten zwaaiden met vlaggen, de politie viel de zaal binnen en librettist Ernst Schnabel werd door een glazen deur geworpen. Uitvoering afgeblazen.

Bij de Nederlandse première zaterdag bleek Das Floß der Medusa, vernoemd naar het schilderij van Géricault uit 1819, een imposant werk, met treffende tekst en bontgekleurde muziek. Het fregat Méduse lijdt schipbreuk voor de West-Afrikaanse kust, waarna kapitein en officiers de reddingsboten claimen en de 154-koppige bemanning achterlaten op een brak vlot.

Er zijn drie solisten: de brechtiaanse verteller Charon (bariton Franz Grundheber), de mulat Jean-Charles (bariton Roman Trekel) en De Dood (sopraan Lenneke Ruiten). Het immense koor staat eerst links opgesteld, maar in een briljante dramaturgische vondst lopen de koorleden gaandeweg het stuk vrijwel allemaal over naar rechts: de helft van De Dood.

Henzes verpletterende maatschappijkritiek, indringend vertolkt onder Markus Stenz, is niet partijpolitiek, maar humanistisch. Alleen aan het slot, bij het voornemen van de overlevenden de rotte orde omver te werpen, beukt het slagwerk naar een climax op het ritme van de leus ‘Ho-Ho-Ho Chi Minh!’