Wij bouwen een woon-, werk- en zorggemeenschap

„Mijn moeder verhuisde in 2001 naar een verzorgingshuis in Zeist. Het waren de jaren waarin mijn eigen pensioen in zicht kwam. Wekelijks ging ik bij mijn moeder op bezoek. Ze woonde in een geweldig huis.

„Ik sprak veel met bewoners en mensen die er werkten. De sociale kant van de planologie en volkshuisvesting is een van mijn fascinaties. Het is mijn vak geweest.

„Ik vroeg aan de directeur: ‘Hoe kan het toch dat er zulke kwaliteitsverschillen zijn tussen dit soort huizen? Waarom is het ene zo naargeestig en voelt het andere zo prettig aan?’

Hij zei: ‘Dat komt door twee dingen. Je moet werken vanuit een duidelijke levensvisie – dit is een huis op antroposofische grondslag. En: aandacht! Op tachtig bewoners zijn hier, naast het personeel, meer dan honderd vrijwilligers actief.’

„Onder vrienden kwam in die jaren de vraag wel eens langs hoe wij het gingen doen als wij oud werden. Dat leidde tot een werkgroepje. We zagen al aankomen dat de zorg onherroepelijk zou verschralen door de vergrijzing. De kwaliteit van ons leven zou daarvan het slachtoffer worden. Ook konden we ons, door ervaringen met onze eigen ouders, goed voorstellen hoe wij later eventueel onze kinderen zouden belasten als zij aan ons nóg meer zorg zouden moeten besteden.

„Een combinatie van actieve ‘jongere ouderen’ met oudere lotgenoten die meer zorg behoeven – dat zou de oplossing zijn. Konden we niet een verzorgingstehuis bouwen met vrijwilligers die daar omheen wonen?

„Zo ontstond een concept voor een woon- en zorggemeenschap voor 50-plussers. Wij spraken af dat we eens wat vrienden en kennissen in onze directe omgeving hierover zouden polsen. Dat werd een koude douche. We kregen te horen: ‘Mooi plan, kom over vijftien jaar nog maar eens terug, wij zijn hiermee helemaal nog niet bezig.’

„We moesten dus iets anders verzinnen om actieve ouderen voor ons concept te winnen. Onze woongemeenschap zou ook een werkgemeenschap moeten zijn. Het zou aan 50-plussers een uitdaging moeten bieden – voor mensen die hun carrière wel zo’n beetje voor gezien hielden en iets wilden beginnen waaraan ze hun leven lang nog niet waren toegekomen.

„Inmiddels is het tien jaar geleden dat zo ons plan ontstond om zelf een buurtje te ontwikkelen. Het bestaat nu uit 150 ‘leeftijdsloopbestendige’ woningen, 45 zorg- appartementen en twintig verhuurbare werkruimten.

„Toen we de hoofdlijnen van dit plan uitgedacht hadden, gingen we naar de gemeente. We dachten: ze zullen vast blij met ons zijn, wij komen met een mix van sociale huurwoningen, vrije sector huur- en koopwoningen, zorgvoorzieningen en een hoop gemotiveerde vrijwilligers – alles ineen.

„Ook dit liep uit op een teleurstelling. Een burgemeester of wethouder kregen we eerst niet te spreken. We werden een case van een welzijnsambtenaar, die ons maar een stelletje zonderlingen vond.

„Ik heb nog vaak teruggedacht aan die vrienden die ooit zeiden: kom over vijftien jaar maar terug. Met de kennis van nu zeg ik: eigenlijk zijn we zeker tien jaar te láát begonnen. Na jaren van vasthouden en lobbyen, van vergaderen en onderhandelen, hebben we ons plan op papier dan toch uiteindelijk rond gekregen.

„Vóór de vastgoedcrisis, die in 2008 begon, leek het erop dat er in 2012 daadwerkelijk gebouwd kon worden en dat alles in 2014 klaar zou zijn. Nu is de planning dat de bouw halverwege volgend jaar kan beginnen.

„Van alle kanten hebben we inmiddels sympathie en applaus gekregen. We worden ten tonele gevoerd als een voorbeeldproject van ouderen die zélf het initiatief nemen en nadenken over sociale cohesie en de verdeling van zorgtaken tussen generaties. We hebben er zelfs een mooie prijs mee gewonnen.

„Tegelijkertijd moet ik constateren dat het niet is gelukt de gevestigde orde hiervoor warm te maken. De Rabobank, de Triodosbank – je zou zeggen dat je die wel meekrijgt met een kleinschalig, coöperatief project voor ‘duurzaam bouwen’.

„Vergeet het maar. PGGM, het pensioenfonds van de zorgsector? Woningcorporaties? Zorgverzekeraars? Ze zijn met álles bezig: met miljarden, met zorgcontracten, met hun interne organisatie – maar niet met mensen, en zeker niet met burgerinitiatief, hoe innovatief dit ook moge zijn.

„Nu hebben we gelukkig een buitenlandse investeerder gevonden die onder gunstige voorwaarden zo’n 42 miljoen aan onze Coöperatie Ubuntuplein wil lenen.

„Of dit hele project nog kan stranden? Ik ben er van overtuigd dat alles in 2017 klaar zal zijn. Dan hebben we een project gerealiseerd waarmee een bedrag is gemoeid van ruim 45 miljoen euro. Op de helft van de woningen hebben toekomstige bewoners inmiddels al opties genomen.

„De bottleneck van dit moment is een deposito van ruim vier miljoen euro. Dat vraagt de financier als bewijs dat wij ‘maatschappelijk draagvlak’ hebben; onze coöperatie heeft immers geen geschiedenis of vermogen. Onze leden hebben een deel hiervan opgebracht, de gemeente en de projectontwikkelaar willen wel bijspringen, maar het hele bedrag hebben we nog niet bij elkaar.

„Moet je nagaan: we hoeven niet eens een extra lening, laat staan een subsidie. Het is gewoon een deposito voor een jaar dat de financier vraagt en dat, met een keurige rente, alleen maar een jaar op een rekening hoeft te staan.

„Het is een hobbel, waarvan we er al talloze hebben genomen. En het zal vast niet de laatste zijn. Het is soms om moedeloos van te worden. Maar op een dag zit ik op het terras voor het restaurant aan het Ubuntuplein, in de zon – daar denk ik aan als het weer eens even tegenzit.”