‘Turken zijn op zichzelf’

Omstreden Kamerleden en rapporten roepen vragen op, maar de Turkse gemeenschap gaat die liever uit de weg.

Afrikaanderbuurt in Rotterdam. Foto’s David van Dam

In de koffiekamer van de Kocatepe-moskee in Rotterdam zitten ’s middags een stuk of tien mannen van middelbare leeftijd. Ze lezen de krant en drinken een kop koffie. Geen van hen spreekt goed Nederlands. De man die koffie schenkt gaat iemand van het bestuur zoeken, zodra de verslaggever van deze krant binnenloopt.

Turkse Nederlanders zijn weer eens in het nieuws. Twee Turks-Nederlandse Kamerleden stapten vorige week met veel bombarie uit de Partij van de Arbeid. Zij hadden kritiek op het integratiebeleid van minister Asscher van Sociale Zaken die vier Turkse religieuze organisaties vijf jaar lang in de gaten wilde gaan houden. Het gaat om Diyanet, Milli Görüs, de Süleymanci en de Gülenbeweging. Deze Turkse ‘clubs’ zouden de integratie belemmeren en ‘parallelle samenlevingen’ vormen. Zeer in strijd met de integratiedoelen van Asscher.

En er was meer. Onderzoeksbureau Motivaction kwam met een onderzoek in opdracht van multicultureel instituut Forum waarin stond dat 90 procent van de Turkse jongeren Syriëgangers als ‘helden’ ziet.

Er kwam van alle kanten kritiek: van de voormannen van de vier organisaties, van Turkse jongeren die zeiden absoluut niet met IS te sympathiseren. Zelfs van de onderzoekers die zeiden dat Asscher hun rapport over de religieuze organisaties wel erg negatief had geïnterpreteerd.

142 moskeeën

Toch dringt de vraag zich op: Hoe Nederlands zijn Turkse Nederlanders eigenlijk? Is de druk en invloed vanuit Turkije en de Turkse overheid op Turkse Nederlanders inderdaad zo groot als Asscher vermoedt? Is er sprake van ‘een lange arm’ van Turkije? En hoe sterk is arm dan wel niet?

Het is niet makkelijk om daar achter te komen. En dat is meteen een deel van het antwoord. De verschillende Turkse organisaties en stromingen in Nederland staan niet erg open voor nieuwsgierige vragen van buitenaf.

Een van de ‘verdachte’ organisaties is Diyanet, de Turkse overheidsdienst die imams levert voor 142 moskeeën in Nederland. De imams worden door Turkije betaald.

De Kocatepe-moskee is ook van Diyanet en gevestigd in een voormalig schoolgebouw. Het gebouw is groot. Lange gangen, met aan weerskanten klaslokalen. Aan het eind van de gang staat de bestuursvoorzitter. Hij heeft geen zin om met een journalist te praten. „Dat gaat over politiek”, zegt hij. „We willen de politiek buiten de moskee houden.” Vriendelijk maar resoluut wijst hij naar de deur.

Een Turkse Nederlander hoort vrijwel altijd ergens bij. Hij is lid van een religieuze groepering of een politieke stroming die meestal een regelrechte kopie is van zusterorganisaties in Turkije. Zo zijn er aanhangers van Milli Görüs of Fettulah Gülen, Suleymanci, Alevieten, Koerden, Kemalisten. En allemaal hebben ze eigen culturele instellingen, moskeeën, belangenorganisaties, studentenverenigingen en voormannen. Deze Turkse verzuiling werd jarenlang door de overheid gestimuleerd - talloze Turkse clubs en clubjes kregen subsidie.

Voor buitenstaanders is de wirwar aan stromingen abracadabra. Als je wil weten waar een Turkse Nederlander bij hoort, moet je het vragen. Dan blijkt dat maar weinig Turken (jong én oud) genegen zijn helderheid te scheppen. De organisaties die Asscher wil laten monitoren zijn al verschillende keren onderzocht. Nooit bleek eruit dat ze zich niet aan de wet zouden houden. Tegelijkertijd zijn ze niet helemaal te doorgronden voor autochtone beleidsmakers. Juist dat maakt ze mysterieus. En dan maken ze elkaar onderling ook nog voortdurend zwart: Gülen-aanhangers haten Milli Görüs, Suleymanci moeten niets hebben van Diyanet-Turken.

Op de Afrikaander markt naast de Kocatepe-moskee lopen veel Turkse Nederlanders van verschillende leeftijden. Ouderen spreken vaak slecht Nederlands. Ze reageren stuk voor stuk verschrikt en afwijzend op de vraag bij welke stroming ze zich thuis voelen. Een Iraakse jonge vrouw die een visje eet en toekijkt moet erom lachen: „Turken zijn enorm op zichzelf”, zegt ze. „Ik heb veel Turkse vrienden. Tot welke groep ze behoren en hoe belangrijk dat voor hen is, vertellen ze niet gauw.”

Hussein en Esra lopen hand in hand over straat. Hussein komt uit Hoogezand, Esra komt uit Barneveld, ze zijn een dagje in Rotterdam. Zij willen wel wat vertellen, als hun achternaam maar niet in de krant komt. Ze zijn beiden 18. De ouders van Hussein zijn aanhangers van de CHP, een centrum-linkse volkspartij. De ouders van Esra hangen de APK van president Recep Tayyip Erdogan aan.

Wat ze daar in Nederland mee moeten? Ze weten het niet. Esra: „Ik hou me niet met politiek bezig.” Van beiden zijn de ouders strikt tegen de beweging van islamgeleerde Fethullah Gülen. Waarom? „Ze vinden hem extreem. Hij zit vanuit Amerika te vertellen hoe het moet.” Dat anti-Gülensentiment hebben ze van hun ouders overgenomen, vertellen ze.

Hussein en Esra zijn veel meer gericht op Nederland dan op Turkije, zeggen ze. Zelf denken ze dat dat komt doordat ze opgroeiden in Nederlandse dorpen met relatief weinig allochtonen.

Turkse televisie

Ze zijn een uitzondering. Uit CBS-cijfers uit 2012 blijkt dat driekwart van de Turkse Nederlanders zich in de eerste plaats Turks voelt. Dat aandeel is bij geen enkele andere groep zo hoog. Slechts zes procent voelt zich vooral Nederlander.

In een Turks gezin wordt vaak Turks gesproken, staat de Turkse televisie aan, worden Turkse kranten gelezen. Daardoor zijn ook jongeren die in Nederland opgroeien sterk op Turkije georiënteerd. Het verandert wel, maar veel minder snel dan bijvoorbeeld bij Marokkaanse Nederlanders die onderling en thuis meestal Nederlands spreken.

Turkse Nederlanders gaan vaak vooral om met andere Turkse Nederlanders. 67 procent heeft buiten hun werk alleen contact met de eigen groep.

De organisaties zien niet echt een probleem. Ze willen vooral met rust worden gelaten. „Ja, we zijn een hechte gemeenschap”, zegt Yusuf Altuntas, woordvoerder van de Milli Görüsbeweging. „Zijn we daarmee een parallelle samenleving? We voelen ons enorm geschoffeerd door het aangekondigde onderzoek.” De Suleymanci-beweging, die alleen via e-mail wil reageren, schrijft: „Wij zijn de mening toegedaan dat eenieder zelf moet weten door wie of wat hij/zij zich laat beïnvloeden of inspireren.”

Mehmet Cerit is hoofdredacteur van Zaman Vandaag (Nederlands) en Zaman Holland (Turks), kranten gelieerd aan de Gülenbeweging. Hij haalt zijn schouders op. „We zijn al zo vaak beticht een wolf in schaapkleren te zijn”, zegt hij. „Er is nooit iets van gebleken. En er zijn al verschillende onderzoeken geweest. Het lijkt wel alsof ze willen dat er iets negatiefs gevonden wordt.”

Als de regering wil weten waarom de Turkse Nederlanders zo op Turkije gericht zijn en hoe sterk die ‘lange arm’ uit Turkije precies is, dan moeten ze de organisaties niet weer gaan onderzoeken, vindt Cerit. „Wat dacht je van open gesprekken zonder verdachtmakingen?”