Turken in het buitenland vallen ook onder Erdogan

De Turkse regering heeft een apart staatssecretariaat om Turkse organisaties in het buitenland aan te sturen.

Iedere week gaat er een e-mail of fax naar tienduizenden moskeeën in Turkije. Het is de tekst voor de preek bij het vrijdaggebed. Die wordt geschreven in opdracht van Diyanet, het overheidsorgaan voor religieuze zaken en de werkgever van de meeste imams in Turkije en in Nederland.

Doordat Diyanet geen religieuze orde is, maar een directoraat met een leek aan het hoofd, is het relatief transparant. Het heeft een maandblad, dat ook online staat. Met daarin stukken over bijvoorbeeld de memoires van een religieus denker en over profeten. Maar ook informatie voor imams over hoe drugsverslaving ontstaat en zich ontwikkelt.

In het novembernummer is veel aandacht voor sociale media. Moslims wordt aangeraden uiterst terughoudend te zijn met het delen van foto’s. Ook als ze virtueel zijn, horen de relaties tussen man en vrouw binnen de grenzen en de morele kaders van de islam te blijven, waarschuwt Diyanet. „Het tentoonstellen van het privéleven in een virtuele omgeving en dat delen met vreemden is niet betamelijk in religieuze termen.”

Diyanet is een van de manieren waarop de regering in Ankara contact heeft met Turken in het buitenland. Alleen al in verschillende Europese landen leven ongeveer vier miljoen Turken. Die zijn als bevolkingsgroep enorm versnipperd. Ze hebben circa vijfduizend verschillende clubs en stichtingen.

Aanvankelijk werd vanuit Turkije geen beleid gemaakt voor deze grote diaspora, die vanaf de jaren zestig is ontstaan. Net als in de ontvangende landen, werd er in Turkije vanuit gegaan dat de emigratie tijdelijk was.

In de jaren tachtig en negentig drong door dat de gastarbeiders en hun families niet terugkwamen. De regering merkte bovendien dat bijvoorbeeld Koerden – die als vijanden werden beschouwd – zich binnen de Europese Unie organiseerden en gehoor kregen. In het buitenland kregen ook streng islamitische stromingen meer kans dan in Turkije zelf. Daar wilde ze tegengas aan geven.

Onder de huidige regering, die zelf nadrukkelijk islamitisch is, is dat veranderd, zo staat beschreven in een vorige maand verschenen studie van het nieuwe Turkse diasporabeleid. De regering doet minder krampachtig over minderheden zoals Koerden en Armeniërs en is zich bewust van het economisch potentieel van ondernemers met een dubbele nationaliteit.

Yasar Aydin van de Stiftung Wissenschaft und Politik in Berlijn concludeert dat de regering beseft dat Turkije juist het meeste heeft aan een politiek van soft power. De beste ambassadeurs zijn eigenlijk de heel goed geïntegreerde Turken in andere landen, die zo hoog mogelijke posities bekleden. Bijvoorbeeld als parlementsleden, rechters of succesvolle ondernemers.

Die mensen zijn mondig genoeg om voor hun eigen rechten en die van andere Turken op te komen, zodat de Turkse regering dat minder hoeft te doen. Bovendien kunnen ze een rol spelen in bijvoorbeeld de discussie over de EU-toetreding van Turkije.

Goed de taal leren

In zijn speeches voor Turken in het buitenland moedigt de vorige premier en huidige president Recep Tayyip Erdogan zijn gehoor daarom voortdurend aan zich te scholen en goed de taal te leren van het land waar ze wonen.

In 2010 is een apart staatssecretariaat opgezet voor Turken in het Buitenland en Gerelateerde Gemeenschappen (de YTB), dat onder de premier valt. Het heeft als voornaamste taak de Turkse diaspora te helpen professionaliseren, waardoor de organisaties sterker staan.

De in 2010 opgerichte YTB wordt volgens Aydin steeds meer ervaren als politiek verlengstuk van de conservatieve en religieuze regering, die van Turkse organisaties in het buitenland lobbyclubs wil maken.

De Turkse diaspora is een lappendeken van verschillende politieke, etnische en religieuze groeperingen. Die zitten lang niet allemaal te wachten op steun en bemoeienis vanuit Ankara, vooral niet als die sterk politiek of religieus gekleurd is.

Dat bleek duidelijk bij de presidentsverkiezingen deze zomer, waarbij Turken in het buitenland ook mochten stemmen. De opkomst was met minder dan twintig procent stukken lager dan Erdogan had gehoopt.