Nachtschade

Foto Annaleen Louwes

De makke van een tomaat is dat hij zo gewoon is. Iedereen weet hoe hij smaakt en zijn verschijningsvorm is geen verrassing. De tomaat behoort niet tot het rijtje van tegenwoordig zo populaire ‘vergeten groenten’ als pastinaak, kardoen of aardpeer. Het is zelfs niet duidelijk of de tomaat een groente is of fruit.

Er wordt van alles aan gedaan om de tomaat een eigentijds imago te bezorgen. Vroeger waren tomaten altijd rood. Tegenwoordig worden ze in alle kleuren van de regenboog aangeboden. Geel was altijd voorbehouden aan de paprika, oranje aan een pompoen, paars aan een aubergine. Nu neemt de tomaat ook die schutkleuren aan.

De kleur van eten is belangrijk voor de smaaksensatie. Daar zijn mensen op afgestudeerd. Als ik een paarse tomaat eet, raken mijn papillen en hersenen de weg kwijt; de tomaat lijkt niet naar tomaat te smaken. En als hij er toch naar smaakt, moet ik door de afwijkende kleur steeds denken aan de mens die deze tomaat heeft toegetakeld. Een paarse tomaat ziet eruit als een aangeslagen bokser. Punches, jabs en uppercuts op de rode huid, net zo lang tot de tomaat bont en blauw is en als verliezer groggy naast het vlees op je bord ligt.

De mens bepaalt meer en meer hoe de tomaat eruitziet. Als wisselgeld voor de verminking is verzachtende taal uitgevonden. Het meest vernederend is het gebruik van verkleinwoordjes.

Zontomaatjes. Cherrytomaatjes.

Laatst zag ik een gerecht staan met ‘romatomaatjes uit de oven’. Dus we vernoemen het tomaatje naar een verschopt zigeunervolk en zetten het doodleuk in een verstikkende oven van 180 graden? Mensen zijn voor minder voor het gerecht gesleept.

Maar de tomaat laat zich niet zonder tegenstribbelen in de hoek drukken. Wie de stamboom van de tomaat erop naslaat, komt deze woorden tegen: familie van de nachtschade.

Nachtschade, dat boezemt angst in. Dagschade – aan je fiets of auto – is erg, maar ’s nachts schade oplopen als je ligt te slapen, is een regelrechte bedreiging.

Nachtschadefamilieleden infiltreren op een stiekeme manier ons bestaan. Een rode tomaat heeft het uiterlijk van een blozende puber. Maar diep van binnen is hij – volgens overspannen internetfora – voor eters met voedselallergieën of zwakke nieren een sluipmoordenaar: niet goed voor je botten, je zenuwgestel, je energie.

Zelf heb ik ook een gevecht tegen de kwalijke sappen van de tomaat moeten leveren. In een theatervoorstelling moest ik iedere avond op het toneel zwemmen in een plas van rode verf en platgeslagen tomaat om daarna – als een bebloede en aangeslagen soldaat – een Shakespeariaanse tekst uit te stoten.

Na het slotapplaus holde ik naar de douche om de mix van tomaat en verf van me af te spoelen. Dat lukte nooit volledig. In de foyer werd ik uitgelachen omdat er pitjes achter en in mijn oren zaten. Het zuur van de tomaat had zich bovendien in iedere porie genesteld. Een jaar lang ging ik krabbend door het leven. Eén wondje was genoeg om de hele nacht jeuk en pijn te hebben.

Leer mij de nachtschade kennen.

De tomaat is de verschoppeling onder de groenten. Het mag de titel luxe artikel niet dragen. Er is nooit een tekort. Met grote regelmaat worden ze ‘doorgedraaid’ omdat ze niet op de markt te slijten zijn. Of ze krijgen een ludieke functie; denk aan de beelden van het Spaanse straatfeest La Tomatina in het plaatsje Bunol, waar het volk elkaar mag bekogelen met overrijpe exemplaren.

Kortom, de tomaat wordt geleefd.

Ik ben geen uitgesproken fan van de tomaat, zeker niet als hij – heel degelijk – in plakjes voor me ligt. Het liefst zie ik die rode gedrochten vermalen tot een passata di pomodoro. De tomaat als basis voor iets anders. Voor een pastasaus, een pizza of een soep met balletjes. Maar niet als quasivrolijke blikvanger tussen blaadjes sla en schijfjes komkommer op een broodje kaas.

Tomaat, tomaatje. Je hebt enig bestaansrecht, maar in godsnaam; stel je bescheiden op en hou je gedeisd.