Column

De minister wil niet weten dat hij geld verspilt

Minister Asscher heeft het niet op economen. Op vragen over de ‘sectorplannen’ waaraan hij 600 miljoen euro uitgeeft, zei hij deze week in het Algemeen Dagblad: ‘Er zijn vast economen die zeggen dat het probleem zichzelf oplost. Alleen ga ik dat niet vertellen aan die duizenden mensen die nu aan het werk zijn dankzij de sectorplannen. We doen toch ook geen experiment om te kijken of een patiënt vanzelf geneest? We kennen allemaal mensen die hun baan kwijt zijn. Dan ben je verplicht te helpen.’

Ik weet dat minister Asscher beter weet. Asscher is een slimme man. Hij weet dat hij de kritiek van economen op zijn sectorplannen niet eerlijk samenvat. Economen zeggen niet: niks doen is sowieso beter. Economen vragen zich af of er geen effectievere en dus betere besteding van die 600 miljoen euro was geweest. Of er niet meer mensen langduriger mee geholpen konden worden.

Om in de medische vergelijking te blijven: we doen heus experimenten met patiënten. We geven namelijk de ene patiënt een echt medicijn en een andere een nepmedicijn. Om te kijken of het medicijn echt werkt. Volkomen wetenschappelijk, een barrière tegen kwakzalverij.

Dit nu is precies wat economen willen. Zinvolle overheidshulp scheiden van kwakzalverij. Daarvoor moet je mensen die overheidshulp krijgen bij het vinden van een andere baan vergelijken met mensen die geen overheidshulp krijgen. Daartoe krijgen economen soms op kleine schaal van de overheid de kans.

Wat dan vaak blijkt bij dit soort onderzoek: in de groep die overheidshulp krijgt, vinden evenveel mensen een baan als in de groep die geen overheidshulp krijgt. Best zinvol om te weten, toch? Wat ook vaak blijkt: de meest kansrijke mensen krijgen het vaakst overheidshulp. Om dit soort programma’s tot een succes te maken, hebben ambtenaren de neiging juist die mensen hulp te bieden die deze hulp het minste nodig hebben – de mensen dus die al een grote kans op een baan hebben.

Ook best zinvol om te weten, toch?

Een minister van Sociale Zaken zou hiervoor meer interesse moeten kunnen opbrengen. Zeker een minister van de PvdA, want die partij wil toch graag de zwakken helpen. Dus als hier 600 miljoen euro naar mensen gaat die zichzelf prima kunnen redden, is dat pure verspilling.

Asscher toont zich niet geïnteresseerd in dit soort vragen. Hij noemt economen liever cynici. Daarom is de doelstelling van de minister – „het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt” – niet te controleren.

Ja, Asscher vroeg het onderzoeksbureau SEO de sectorplannen in 2018 te evalueren. Maar hoe je in vredesnaam uit een duizelingwekkende lange parade van plannen een zinvolle conclusie destilleert, is mij een raadsel.

Om een idee te geven: toen SEO begin deze week stopte met tellen, waren er al 61 sectorplannen, met 448 ‘maatregelen’ voor 322.560 deelnemers die 326 miljoen euro kosten. Verreweg de meeste mensen worden (om)geschoold (149.109). Het duurst zijn leerwerkplekken voor jongeren (22.794 mensen). Kijk voor de gein eens op www.sectorplannen.nl – je belandt in het walhalla van de bureaucratie.

„Wij experimenteren niet met mensen.” Dat antwoord kreeg ik als verslaggever vaak op de vraag waarom de overheid niet vaker met economen samenwerkt om te ontdekken wat echt helpt. Ik denk dat er een andere reden is. Geen politicus heeft er behoefte aan te horen dat zijn 600 miljoen euro kostende hulp zinloos was. Liever kwakzalven dan op een zinnige manier belastinggeld uitgeven. Dit is een pr-show.