Column

Het ging niet voor niets ooit mis tussen ons

Juist op het moment dat ik dacht sociaal gezien best goed bezig te zijn kwamen de verwijten per mobiele telefoon in een niet te stoppen vloedgolf over me heen. Eerst belde een van de exen, waarbij ik de fout maakte om haar en haar vriend uit te nodigen voor een etentje.

Gezucht, gevolgd door een lange stilte, waarin ik opgekropte irritatie had moeten herkennen. Maar goed dat deed ik dus niet, het ging niet voor niets ooit mis tussen ons.

Ik herhaalde de vraag.

„Hebben jullie zin om te komen eten?”

„Eigenlijk niet, nee.”

Het was overduidelijk de bedoeling dat ik nu ‘de waarom-vraag’ ging stellen, maar die slikte ik in.

Zij: „Ik vind het hartstikke leuk voor jullie dat jullie nu samenwonen, maar wij wonen nu al bijna twee jaar in ons nieuwe huis en jij bent niet een keer komen kijken. Niet een keer!”

Ik herinnerde haar aan de geboorte van haar tweede kind, toen ik vanuit Nijmegen de taxi had genomen. Met zo’n grote bos bloemen dat de taxichauffeur ervan ging vragen of het een speciale gelegenheid was. „Mijn ex heeft een kind gekregen”, zei ik toen, waarop hij zei: „Nou, dat vind ik netjes. Die van mij heb ik van de trap geduwd.”

„Dat was dus in ons oude huis!”, zei ze, waarna ze woedend de verbinding verbrak. Terwijl ik de telefoon weg wilde leggen ging hij weer. Ach, daar is ze weer, dacht ik, maar het was mijn moeder die aftrapte met de mededeling dat haar telefoon bijna nooit ging.

„Terwijl ik toch drie kinderen en twee kleinkinderen heb, bij Ria Tromp gaat de telefoon de hele dag.”

Ze stapelde er een tweede verwijt bovenop. „En waarom krijg ik jou eigenlijk altijd aan de telefoon? Ik wil je vriendin ook wel eens spreken.”

Ik probeerde uit te leggen dat die een eigen mobiel had en dat we de rare gewoonte hadden om alle twee onze eigen telefoon op te nemen.

„Zo deden papa en ik dat niet”, zei mijn moeder. „We namen ombeurten op.”

„Wil je haar aan de lijn?”, vroeg ik.

“Nee”, zei mijn moeder, „nu hoeft het niet meer. Bel maar een keer terug als je wilt weten hoe het met me gaat.”

Later belde ook nog mijn broer, van wie ik wist dat hij woedend was omdat ik hem had beschreven in een eerder stukje. Ik nam niet op. De smartphone heeft me de rest van de dag vanaf het bureau verwijtend liggen aanstaren.