Macht houdt Russische middenklasse gevangen

De Russische middenklasse is anders dan in Duitsland of Nederland. Verwacht er daarom niet te veel van, meent Hubert Smeets.

Ook Rusland heeft zijn cappuccino drinkende, witte wijn nippende en in Ikea wonende burgerij. n de caféketens Coffee House en Chokoladnitsa in Moskou willen mensen 260 roebel (4,35 euro) betalen voor een latte karamel. De wijnconsumptie groeide vorig jaar met 16 procent, al kost een fles Franse wijn in supermarkt Pak Zelf in Moskou twee tot drie keer meer dan bij de Albert Heijn in Amsterdam.

Intussen verkocht Ikea het afgelopen jaar voor 6 procent meer aan meubels en huisraad en prijken Kia, Renault, Hyundai en Toyota in de top 5 van populairste automerken – weliswaar na de eigen Lada.

Sinds de ondergang van de Sovjet Unie, 25 jaar geleden, groeit en groeit de middenklasse. Maar wat als die groei stopt? Stagnatie kan ontevredenheid opwekken. Immers, de regering van president Poetin kon tot nu toe gedijen dankzij de tevredenheid van die middenklasse; materiële welvaart is belangrijker dan maatschappelijk welzijn. Een terugval kan onheil betekenen voor het Kremlin. Misschien al wel over één jaar, meent Vladislav Inozemtsev.

Zo’n prognose, dat de middengroepen ook in Rusland een factor zullen worden zodra ze in de knel raken, past in een klassiek Westers verwachtingspatroon. Sinds de val van de Berlijnse Muur is het gemeengoed dat er een correlatie bestaat tussen de groei van een middenklasse en de groei van democratische instituties.

Maar in Rusland is deze ijzeren logica niet zo eenduidig. Dat heeft te maken met de traditionele verhouding tussen de Russische burger en de staat. Tsarisme en communisme hebben diepe voren getrokken. De recente post-Sovjet geschiedenis heeft deze relatie tussen staat en burger niet wezenlijk veranderd.

Geen misverstand. De cijfers weerspiegelen het sociaal-economische succes van vijftien jaar Poetin; een succes dat grotendeels op het conto staat van groeiende inkomsten uit de export van olie en andere grondstoffen. Op grond van bijna alle criteria, kenmerkend voor omvang en kwaliteit van middengroepen, is de middenklasse het afgelopen decennium met de olieprijs mee gegroeid.

Het sociologisch instituut van de Russische Academie der Wetenschappen doet al jaren onderzoek naar de burgerij die geen handarbeid in fabriek of kolchoz hoeft te verrichten, die spaart of leent en die aan haar plek op de arbeidsmarkt werkt. Die groep groeit gestaag. In 2014 kon 28 procent van de volwassen Russen zich luxe goederen permitteren. In 2003 was dat nog maar 21 procent. Dit jaar volgde 36 procent van hen een cursus of hogere opleiding. Tien jaar geleden was dat slechts 15 procent. In dezelfde periode steeg het percentage Russen met een betere woning van 18 naar 23 procent en verdrievoudigde het aantal mensen dat een eigen zaak opende, van 3 naar 9 procent.

Per saldo behoort 42 procent van de bevolking nu tot de middenklasse. Een decennium terug was dat 33 procent.

Maar hebben we het wel over middengroepen naar meer of minder Westerse snit? Nee. De Russische middenklasse is anders. Ze is afhankelijker van de staat dan haar klassegenoten elders in Europa.

Eerst de kwantitatieve kant van de zaak. Ongeveer de helft van de beroepsbevolking tussen de 15 en 72 jaar is werkzaam in de staatsbureaucratie en in bedrijven die zonder budget of protectie van de regering kansloos zouden zijn. Op een totaal van 75 miljoen werkenden kent Rusland bijna 35 miljoen ambtenaren, functionarissen, medici, leraren en andere budgetniki.

De (semi)staatsbedrijven van die budgetniki zijn bovendien mammoets. Een paar cijfers. In de militaire staatsindustrie, afgekort OPK, werken ruim 3 miljoen arbeiders. De spoorwegen RZjD heeft 880.000 mensen in dienst; energieconcern Gazprom ongeveer 430.000; de posterijen Potsjta Rossii ruim 310.00; de spaarinstelling Sberbank bijna 250.000 en het oliebedrijf Rosneft circa 170.000.

Velen zijn, net als driekwart van de hele Russische bevolking, zo hoog geschoold dat ze qua opleidingspeil tot de (lagere) middenklasse worden gerekend.

Een vergelijking. In Duitsland, met een beroepsbevolking van 45 miljoen, heeft Deutsche Bahn ongeveer 300.000 mensen in dienst. Dat is naar verhouding ruim veertig procent minder dan bij de Russische spoorwegen.

Het blijft niet bij 35 miljoen budgetniki. In Rusland genieten bijna 40 miljoen mensen van een staatspensioen, een AOW die weliswaar niet al het levensonderhoud dekt maar die dankzij Vladimir Poetin substantieel is gestegen. Bovendien lopen er nog een kleine 30 miljoen kinderen en studenten rond. Ongeveer 40 miljoen mensen werken in de particuliere sector.

Driekwart van de Russen heeft dus materieel belang bij de staatsmacht. Ongeveer een kwart kan op zichzelf staan. Laat dit percentage van 75 procent nu vrij nauwkeurig sporen met de gemiddelde populariteit van Poetin sinds 2000.

De kwalitatieve kant van de zaak is net zo belangrijk. De rol van de staat in Rusland is niet zomaar te vergelijken met die van de overheid in Duitsland of Nederland. Nog steeds wordt de staat primair gezien als een machtsapparaat dat sociale belangen dient te beschermen, en niet als een autoriteit die allereerst de rechten van burgers moet garanderen en eerbiedigen. Anders gezegd: de staat is repressief in ruil voor protectie.

Dat uit zich ook in het taalgebruik. Het Russische kent twee woorden om de top van de piramide aan te duiden: ‘macht’ is synoniem voor de regering. De hoogste macht is de president die het aan zijn stand is verplicht om het hele land als een ‘patroon’, een ‘meester’, te controleren. Parlementariërs en ministers heten niet voor niets ‘ambtenaren’. Het begrip ‘overheid’ is in het Russisch onbekend.

Het is geen toeval dat zelfs president Boris Jeltsin (1991-2000) het oude staatsbezit niet als onvervreemdbaar eigendom heeft geprivatiseerd maar slechts in leen heeft gegeven. Het Kremlin moest deze giften ook weer kunnen terugnemen. Dit bezit was niet veel meer dan een voorschot op loyaliteit. De oliemagnaat Michail Chodorkovski kwam daar achter toen hij in 2003 werd gearresteerd en voor tien jaar werd vastgezet.

Zoals de historicus Michail Gefter (1918-1995) het ooit formuleerde: in Rusland „heerst de macht over hoeve en horigen”. Ook de middenklasse is hieraan onderworpen. Volgens Gleb Pavlovsky, een student van Gefter en een voormalige spindoctor van het Kremlin, verklaart dat waarom de middenklasse in Rusland zich tot nu toe heeft verscholen achter een muur van „depolitisering”.

Op een symposium van het Gorbatsjov Instituut in mei dit jaar werd deze burger getypeerd als de „nieuwe conservatieve mens”. De nieuwe conservatief zou maatschappelijke status quo prefereren boven staatkundige verandering en ontleent zijn kijk op de inrichting van de samenleving steeds meer aan de sociale doctrine van de Russisch orthodoxe kerk.

De Westerse sancties treffen deze middenklasse. Die sancties jagen niet alleen de inflatie aan, ze ondermijnen eveneens het investeringsklimaat en zo de broodnodige innovatie van de stagnerende economie. De opwaartse mobiliteit van het afgelopen decennium zou wel eens ten einde kunnen komen.

Dient over een jaar de door Inozemtsev voorziene klap zich aan, dan hoeft dat er niet noodzakelijk toe te leiden dat de gedepolitiseerde middenklasse ineens eieren voor zijn geld kiest in westerse richting. Een crisis maakt immers geen eind aan haar afhankelijkheid van de ‘macht’. Het is even goed denkbaar dat de cappuccino drinkende, witte wijn nippende burgerij juist het buitenland de schuld geeft van haar verdriet.