Ingrijpen was noodzakelijk

foto roger cremers

Evaline van Ee (74) draait er niet omheen: „Ik stoor me vreselijk aan de Molukse nabestaanden die maar door blijven gaan met hun strijd tegen de Nederlandse regering.” Ze pakt haar theekop, maar neemt geen slok. „Eerst een trein kapen en dan nu nog geld eisen ook! Wat een brutaliteit.”

Van Ee is gaan zitten aan de keukentafel in haar sober ingerichte woning in Dronten. Ze oogt vitaal en formuleert zorgvuldig. Niet eerder deed ze haar verhaal, maar nu is de tijd rijp. „Het moet een keer afgelopen zijn met het openhalen van de wonden.”

Haar man, Rien van Baarsel, is op maandagochtend 23 mei 1977 met de trein op weg naar Groningen. Daar wordt hij als bouwkundig adviseur om 10.00 uur verwacht bij een overleg over de nieuwbouw van een deel van het ziekenhuis.

De dag ervoor hebben ze hun vijftiende trouwdag gevierd. Wandelend op de dijk met hun twee maanden oude dochter had ze goed zicht op haar man, die met hun zoon van 7 aan het zeilen was op de IJssel. Van Ee terugblikkend: „We waren volmaakt gelukkig.”

De volgende ochtend staat ze bij de bakker in hun woonplaats Elst als ze hoort dat er weer een trein is gekaapt. „Het is de intercity naar Groningen”, zegt de vrouw van de bakker. „Daar zit mijn man in”, zegt de dan 36-jarige Evaline van Baarsel. „Het voelde alsof ik tegen een groot blok aanliep.”

Het is het begin van een periode van „ongekende spanning”. Overlevingsdrift, buren, vrienden en de regelmaat die hoort bij het voeden van een baby maken dat ze doorgaat. Op de automatische piloot. „Ik at uitsluitend omdat het moest.” Weken verstrijken waarin momenten van hoop op een goede afloop worden afgewisseld met teleurstelling over stagnerende onderhandelingen. In de kapers heeft ze geen enkel vertrouwen. „Iedereen wist dat bij eerdere gijzelingen drie mensen in koelen bloede waren doodgeschoten.”

Hun zoon heeft last van nachtmerries. „Hij riep middenin de nacht: Papa! Papa!.” Contact met haar man heeft ze al die weken niet. Later krijgt ze zijn tas terug. „In zijn agenda had hij op dinsdag 24 mei, de tweede dag van de kaping, geschreven: ‘Leven met angst’. Dat was mijn verjaardag.”

Op 11 juni belt haar schoonmoeder haar wakker om te vertellen dat de trein is ontzet. Ze zet meteen de radio aan. Die meldt de namen van mensen die de trein hebben verlaten. De naam Van Baarsel ontbreekt. „Ik sliep terwijl mijn man werd vermoord. Die gedachte heeft me jaren achtervolgd.”

Domme pech

Ze staat op, loopt naar het aanrecht en zet zwijgend thee. Als ze weer zit, zegt ze: „Ik besloot meteen: dit is mijn verdriet en dat mag het leven van mijn kinderen niet gaan beheersen.” Ze knikt. „Dat zouden de betrokken Molukkers zich ook eens moeten realiseren. Ze moeten niet blijven hangen in het verleden.”

Eenvoudig is het niet om haar kinderen te ontzien. Met haar zoon, die al die tijd niet van haar zijde wijkt, loopt ze die fatale elfde juni naar het mortuarium in het ziekenhuis. Ze passeren een zaal waar de overlevenden zijn herenigd met hun euforische families. Haar man, van wie ze door een raampje in de kist alleen zijn hoofd kan zien, ligt er „mooi en vredig” bij. „Hij was afgevallen, zag er weer uit als de man op wie ik ooit verliefd was geworden.”

Hoe hij exact om het leven is gekomen, weet ze dan niet. „Daar was ik ook totaal niet mee bezig.” Een week na de crematie krijgt ze bezoek van twee ambtenaren. Haar man is gestorven door één Molukse kogel, vertellen ze haar. „Daarmee was het voor mij duidelijk.” Een aantal weken later hoort ze van een direct betrokkene dat haar man door zes kogels is geraakt, waarvan er één in het lichaam is achtergebleven, maar dat die niet afkomstig was uit een Moluks wapen. Hij is dus in ieder geval getroffen door kogels van een marinier. „Goed om te weten, maar het veranderde voor mij niets.”

Nog altijd staat ze volledig achter de beëindiging van de kaping. „Er moest worden ingegrepen toen onderhandelen niets uithaalde.” De mariniers hebben hun werk goed gedaan, benadrukt ze. „Mijn man is door domme pech om het leven gekomen.” Dat de overheid nadien geen aandacht voor haar had, stoorde haar wel. „Ik heb echt alles zelf uit moeten vinden.”

Ze zoekt en krijgt contact met minister van Justitie Dries van Agt. Zo krijgt ze uiteindelijk via de landsadvocaat een vergoeding van in totaal 50.000 gulden. „Veel geld in die tijd, maar ik kreeg mijn man er niet mee terug.”

Dat gemis laat zich voelen. Zeker als haar zoon pubert. „Dan zag ik hem zitten achter de computer, waarvan ik niet wist hoe die werkte. Momenten waarop mijn man juist meteen naast hem zou zijn gaan zitten.” Haar dochter moet het doen met verhalen en wat foto’s. „Toen ze vijf was, zei ze: ‘Ik wil niet een papa in de hemel. Ik wil er één die hier is’.” Van Ee valt even stil. „Ook iemand die je niet hebt gekend, kun je enorm missen.”

Tien jaar na de dood van haar man ontmoet ze, via haar schoonmoeder, weduwnaar Rien van Ee. Ze trouwen, strijken neer in Flevoland en genieten van het hervonden leven. Al kampt hij sinds enkele jaren met ernstige gezondheidsproblemen. „We proberen zoveel mogelijk te genieten van de tijd die ons nog is gegeven.”

Ze gaat rechtop zitten. „Dit moet geen zielig verhaal worden. Ik tel mijn zegeningen: ik ben gezond, heb een lieve man en een goede band met mijn kinderen.” Dan zegt ze: „En ik koester de herinneringen aan mijn eerste liefde.”