Hoogopgeleide leraren de school uit getreiterd

Nederlandse kinderen krijgen vooral les van leraren die nooit een universiteit van binnen gezien hebben. Academisch geschoolde leraren vindt men te duur of ze bedreigen het loongebouw. Ze worden uit de school geweerd , betoogt Ton van Haperen.

De Nederlandse politiek wil meer academici voor de klas. De minister subsidieert dan ook aparte en wervende opleidingsprogramma’s en het VVD-Kamerlid Duisenberg wil dat vwo-leerlingen enkel onderwijs van universitair opgeleide docenten krijgen. Schoolleiders, bestuurders en het overgrote deel van de beroepsgroep echter, zien de meerwaarde van academici voor de klas niet. Deze tweespalt is slecht voor leraren. En de invoering van het leenstelsel maakt de situatie bovendien precair voor leerlingen.

De Nederlandse middelbare school kent twee soorten leraren. De een heeft een vak gestudeerd aan de universiteit, gevolgd door een eenjarige master die toegang geeft tot het leraarschap. De ander kiest na havo of mbo voor een lerarenopleiding in het hbo en kiest daar een vak bij. De een is op de werkvloer niet beter dan de ander; ze vullen elkaar aan. De academicus brengt zijn hoog ontwikkelde vakkennis in, de leraar de kunst van het lesgeven.

Wel heeft de academicus, vanwege zijn opleiding, een hogere arbeidsmarktwaarde. En daar hoort dus een hoger salaris bij. Maar dat beloningsverschil is inmiddels vervaagd. Hoe kan dat?

Lang hebben leeftijd en opleiding de hoogte van de verdiensten van het onderwijspersoneel bepaald. In 1953 koppelde de overheid de lerarensalarissen aan die van ambtenaren. Toen gingen academici 23 procent meer verdienen. In de jaren zestig verhoogde de liberale minister van Binnenlandse Zaken, Toxopeus, trapsgewijs de salarissen van ambtenaren.

Tien jaar later begon de nivellering – om nooit meer te stoppen. Onder het kabinet Den Uyl (1973-77) gingen alleen de lagere salarisschalen omhoog; in 1978 leverden academici vier periodieken in; vanaf 1985 kregen academici met enkel brugklassen voortaan het salaris van een hbo’er.

Voor de na 1996 op budget gezette werkgevers betekenden leraren vooral een kostenpost. In 2006 luidde het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) de noodklok: „Jaarlijks verlaten meer academisch gevormde docenten het voorgezet onderwijs dan er binnen komen”.

En het wordt erger. De hbo-opleidingen leveren gemiddeld drie tot vier keer meer bevoegde leraren af dan de universitaire lerarenopleidingen. En hbo-leraren geven allemaal les. Van de academici staat na vijf jaar nog een kwart voor de klas.

Een staatscommissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan pleitte daarom in 2007 voor de enige maatregel die wel werkt; herinvoering van opleidingsgerelateerde beloningsschalen. De politiek stelde een miljard euro per jaar beschikbaar.

Maar bestuurders moesten er niet aan denken; een academisch geschoolde leraar die wapperend met zijn diploma een hoger salaris opeist. Dergelijke open einde regelingen maken het budget onbeheersbaar. En vakbonden wilden het miljard onder hun leden, het zittend personeel dus, verdelen. Zo smoorden werkgevers en vakbonden vakkundig de connectie tussen opleidingsniveau en beloning.

In zijn oratie, afgelopen zomer, wees de Tilburgse hoogleraar Frank Cörvers maar weer eens op de enorme loonachterstand van universitair opgeleide leraren ten opzichte van gelijkgeschoolden. Er komt dan ook een moment dat de buitenwereld zegt: de sector vindt opleidingniveau op een kennisinstituut kennelijk niet belangrijk en maakt geen onderscheid. Daardoor daalt de arbeidsmarktwaarde van het onderwijspersoneel en kan de loonsom omlaag. Op nivellering binnen de beroepsgroep volgt vanzelf een herijking vanuit bestaande arbeidsmarktverhoudingen. Waarom moet een leraar meer verdienen dan een wijkagent?

De topeconomen Piketty en Stiglitz geven antwoord op deze prangende vraag. Door de hedendaagse vermogensongelijkheid verdienen de paar rijken meer met beleggen dan de rest met werken. Dat gegeven ontwricht de samenleving en belemmert de economische groei.

Nobelprijswinnaar Stiglitz biedt in zijn laatste boek, A learning society, een uitweg: blijven leren. De ontwikkeling van die leerattitude begint op school, bij slimme leraren. Daar ligt de kans op maatschappelijke vooruitgang – voor iedereen. Ziehier de motor achter een rechtvaardige toename van welvaart. Natuurlijk verdient de hoog opgeleide leraar meer dan de wijkagent.

Niet in Nederland. Daar heeft men vier decennia lang het academisch denkniveau vooral de school uit getreiterd. Kinderen krijgen vooral les van leraren die nooit een universiteit van binnen gezien hebben. Schoolboek en antwoordvel vullen het intellectueel referentiekader.

Met deze armzalige bagage gaan vwo’ers een particuliere investering aan. Op de universiteit moeten ze in vier jaar tijd, met geleend geld, vanuit het niks hun academische belangstelling ontwikkelen. Dat voelt alsof we ze met honderdvijftig kilometer per uur een doodlopende weg in laten racen. De minister zit achter het stuur; een parlementaire meerderheid van liberalen en sociaal-democraten hangt op de achterbank. Boem is ho.