Een land dat nee zegt

Nog nooit zijn de Fransen zo somber geweest. Is het de aanhoudende economische crisis, de uitgeputte politiek? Frankrijk is zwaarmoedig op zoek naar zichzelf. „De laatste keer dat we collectief trots waren, was in 2003.”

Illustratie NRC studio

Om polemist en journalist Éric Zemmour in actie te zien, is het achter aansluiten. Bezorgd beent organisatrice Marie Coquelin langs de kronkelende mensenmassa aan de poorten van de Salle Barcelone in het stadscentrum van Toulouse. „Dit gaat nooit passen”, vreest ze. Maar pas als er in het bedompte zaaltje echt niemand meer bij kan, houdt de beveiliging de eerste gasten tegen.

Coquelin, een tennislerares die Toulouse vorig jaar nog mobiliseerde tegen het homohuwelijk, heeft de meest bediscussieerde Franse auteur van het moment naar de stad gehaald. Van Zemmours sombere magnum opus Le suicide français, een tirade van ruim 500 pagina’s tegen de politieke en culturele elite die Frankrijk sinds de studentenrevolutie van mei 1968 zou hebben „afgebroken”, zijn volgens de laatste cijfers al 340.000 exemplaren verkocht. Zijn onverwachte succes verraadt een land dat te midden van een economische crisis en een uitgeput politiek bedrijf bovenal op zoek is naar zichzelf.

Als Coquelin zijn naam uitspreekt en de veel gevraagde tv-commentator ietwat slungelig ten tonele komt, breekt een ovationeel applaus los. Besmuikt lachend zwaait Zemmour als een gemankeerd soort politicus naar zijn volgelingen. „Zo is het overal waar hij spreekt”, duidt een oudere man met strak achterovergestreken haar achterin de zaal. „Hij is echt een vedette”, vult zijn vrouw aan. Waarom dat is? „Omdat hij dingen zegt die iedereen denkt, maar niemand uitspreekt.”

Over de diepere angsten van de Français de souche (oorspronkelijke Fransen) voor de vermeende ‘islamisering’ van het land bijvoorbeeld. Over hoe het grote Frankrijk in Europa sinds het „catastrofale jaar 1989” en de Europese muntunie een „provincie van Duitsland” is geworden en hoe het nationale voetbalelftal in al zijn multiculturaliteit de Republikeinse waarden verpatst heeft. Of over hoe het op Amerikaanse leest geschoeide individualisme en de vrije moraal van de soixante-huitards (de generatie van 1968) via de populaire cultuur de ondergang van het gezin en de klassieke man-vrouwverhoudingen inluidde.

Frankrijk is dood

Student Nicolas, het vuistdikke boek keurig in plastic folie gekaft onder de arm, is halverwege met lezen en concludeert met studieuze blik: „De Fransen zijn in de geglobaliseerde wereld op zoek naar hun identiteit. Dit boek geeft die terug.”

Dat suggereert een optimistisch betoog, maar dat biedt Zemmour niet. Hij begint zijn anekdotische geschiedschrijving met de dood van generaal De Gaulle in 1970, de vader van het eens machtige, soevereine Frankrijk van de gloriedagen na de oorlog en hij eindigt bij de ondertekening van het EU-verdrag van Lissabon, dat volgens hem het definitieve einde van Frankrijk als natiestaat inluidde. ‘De veertig jaar die Frankrijk hebben afgebroken’, luidt de reclameslogan op posters overal in het land. „Frankrijk kwijnt weg, Frankrijk is dood”, schrijft Zemmour fatalistisch in zijn epiloog. De elite „spuugt op zijn tombe en schendt het nog dampende kadaver”.

Zijn onheilsboodschap sluit naadloos aan op de tijdgeest. Nu staan de Fransen ondanks hun zo vaak geroemde joie de vivre sowieso niet bekend om een al te optimistische kijk op het leven, maar de morosité française, de omnipresente zwaarmoedigheid, lijkt de laatste tijd buitengewoon te pieken. Volgens sommige analisten, zoals voormalig Mitterrand-adviseur Jacques Attali, verkeert het land in een soort ‘prerevolutionair tijdperk’ – waarbij dient te worden aangetekend dat Fransen het woord ‘revolutie’ sneller in de mond nemen dan veel andere Europese burgers.

Niets lijkt de Fransen momenteel uit het dal te kunnen trekken. Zelfs pogingen van de regering-Valls om de twee recente Franse Nobelprijzen (voor de literatuur en de economie) in te zetten om het nationale humeur een beetje op te krikken liepen spaak. „Wat een lange neus naar de Frankrijk-bashers”, zei Valls tevreden. „Twee Nobelprijzen: niet slecht voor een land dat zogenaamd in neergang is”, twitterde zijn minister voor Onderwijs. Maar een dag later was iedereen dat weer vergeten en ging het gesomber weer verder.

„De laatste keer dat Frankrijk collectief trots was, was toen Chirac in 2003 weigerde deel te nemen aan de Amerikaanse invasie in Irak”, zegt politicoloog Emmanuel Rivière van opiniebureau TNS Sofres. „Toen ontstond de indruk dat Frankrijk er toe deed in de wereld. Nu hebben steeds meer mensen het gevoel dat het land diplomatiek onmachtig is en het gunstige sociale model bedreigd wordt. Door Europa en de voortdurende crisis hebben ze het gevoel hun lot niet meer in eigen handen te hebben en hun eigenheid te verliezen.”

De symptomen zijn al een paar jaar dezelfde: de economie zit nog altijd in een diep dal, met meer dan 10 procent werkloosheid, ondanks overheidsinvesteringen een wel erg bescheiden groei en nog altijd dagelijks nieuws over sluitende fabrieken en ontslaggolven. De socialistische regering van president François Hollande zegt te hervormen, en heeft daar op papier ook de steun van het volk voor, maar lijkt in Europees verband onmachtig om werkelijk iets aan de beroerde economische situatie te doen en heeft door vele politieke schandalen en onhandige optredens weinig krediet meer over.

„In de veertig jaar dat wij onderzoek doen naar het vertrouwen in de politiek, waren de cijfers nooit zo desastreus”, zegt Rivière. Dat is een serieus probleem in een land dat traditioneel bovenmatig veel verwachtingen van de staat heeft, de almachtige president (‘een gekozen koning’) in het bijzonder. Maar door de Europese eenwording en de macht van financiële markten „is overduidelijk dat de regering niet meer aan de knoppen zit”, aldus voorzitter Laurent Berger van de vakbond CFDT.

Onderzoeker Rivière toont de grafieken die hij maandelijks voor het weekendmagazine van dagblad Le Figaro produceert. De dalende lijn van het vertrouwen in de president is inmiddels genoegzaam bekend: nog maar 13 procent van de Fransen denkt dat hij halverwege zijn ambtstermijn op het goede pad is.

Dat is een dieptepunt in de in 1958 onder De Gaulle begonnen Vijfde Republiek. „Frankrijk is niet ver van een regimecrisis”, analyseerde François Bayrou van de middenpartij Modem onlangs. Volgens veel linkse critici is het zelfs tijd voor een nieuwe grondwet en, dus, een ‘Zesde Republiek’, waarin het parlement meer en de president, die nu nog geen verantwoording schuldig is aan het parlement, juist minder macht krijgt.

Maar: „Geen enkele politieke partij heeft het vertrouwen van meer dan 30 procent van de bevolking, ook niet het opkomende Front National”, zegt Rivière. „Tel daarbij op dat het vertrouwen in de media, de vakbonden en andere instituties dramatisch laag is en je begrijpt waarom mensen geen hoop meer hebben en de buitenwereld vrezen.”

Provinciale periferie

Zemmour vertolkt precies het onbehagen van het Frankrijk dat zich terugtrekt in zijn schulp. „Ik neem het op voor de verliezers van de globalisering”, zegt hij voorafgaand aan zijn optreden in de lobby van een sjiek hotel in hartje Toulouse. De „fundamentele breuklijn” tussen winnaars en verliezers loopt volgens hem tussen de metropolen en de periferie. In de metropolen is een „elite die de dienst uitmaakt in politiek, economie en media”, geprofiteerd heeft van de openstelling van Frankrijk voor de wereld en nog altijd het „bureaucratische monster” Europa verdedigt. Daar tegenover staat de provinciale periferie, waar de ‘volksklasse’ de werkgelegenheid heeft zien verdwijnen naar het buitenland en van de elites „het gevoel krijgt dat de cultuur van immigranten meer waard is dan die van henzelf”.

Hij haalt de geograaf Christophe Guilluy aan, auteur van het onlangs verschenen en eveneens succesvolle La France périphérique: comment on a sacrifié les classes populaires. „Mijn vriend Guilluy laat zien hoe voor het eerst in de geschiedenis het geld niet meer verdiend wordt op de plaats waar het volk woont. De arbeiders zijn gemarginaliseerd, de middenklasse is geproletariseerd. Liefst 60 procent van de mensen woont in de door de winnaars gesloopte periferie.”

„Natúúrlijk” heeft de elite het daarom op hem gemunt, meent Zemmour. „Ze noemen me racist, homofoob en misogyn omdat ze geen argumenten hebben”, zegt hij. Op Le Figaro na, de krant waar Zemmour een wekelijkse column heeft, hebben de in het algemeen nog tamelijk politiek-correcte traditionele Franse media het boek inderdaad vrij hard aan de kant gezet of de auteur triomfantelijk gewezen op een aantal feitelijke onjuistheden.

Zemmour, die nauwe banden heeft met kopstukken van het extreemrechtse Front National (FN) maar zegt „politiek onafhankelijk” te zijn, wordt met zijn pleidooi voor assimilatie (en bijvoorbeeld herinvoering van het verbod op niet-Franse voornamen) verweten de partij van Marine Le Pen een denkkader te verschaffen. Premier Manuel Valls liet desgevraagd weten dat het boek „het niet waard is om gelezen te worden” en ook andere politieke kopstukken distantieerden zich van de inhoud. De adjudant van Marine Le Pen van het FN, Florian Philippot, noemde het boek „wat al te pessimistisch” en kon zich niet vinden in Zemmours stokpaardje dat Frankrijk „sinds de bh-verbrandingen (...) te feminien” is. „Ze willen me kapotmaken, zoals Robespierre dat deed met zijn tegenstanders”, zegt Zemmour in de hotellobby. „In het dominante Franse debat heb je een goed kamp en een slecht kamp en ik hoor duidelijk bij dat laatste kamp.”

Maarschalk Pétain

Dat heeft ook iets te maken met zijn lang gevestigde reputatie als provocateur. De nu 56-jarige Zemmour, afkomstig uit een Algerijns-joods gezin, werd in 2011 veroordeeld wegens discriminatie omdat hij het op televisie had opgenomen voor politieagenten die de gewoonte hebben eerder gekleurde Fransen aan te houden dan blanke. „Niets bijzonders”, vond Zemmour. „De meeste drughandelaars zijn nu eenmaal zwarten of Arabieren.”

Die opmerking was een brug te ver in Frankrijk, waar etnische registratie nog taboe is, ook van criminelen. Dat komt, analyseert Zemmour, onder andere door het „collectieve schuldgevoel” dat Frankrijk na de oorlog in zijn ogen „is aangepraat” over het met de Duitsers collaborerende Vichy-regime. Toen hij het begin oktober in een eerste tv-interview over Le suicide français opnam voor maarschalk Pétain, voor veel Fransen de belichaming van het kwaad, ging de discussie over zijn boek in de media alleen nog maar daar over.

Volgens Zemmour heeft Pétain door „een pact met de duivel” te sluiten meer Joden weten te redden dan enig ander Europees land. Onzin, schreef de Amerikaanse Vichy-specialist Robert Paxton later in Le Monde: dat was vooral te danken aan goede onderduikmogelijkheden op het uitgestrekte Franse platteland.

De interviewer van dienst in het dampende zaaltje in Toulouse begint niettemin maar meteen met dit gevoelige onderwerp. „Fijn, dan zijn we daar weer vanaf”, grapt Zemmour. „Het gaat maar om zeven pagina’s”, zegt hij. „Ik heb dit voorbeeld gebruikt omdat Vichy een van de redenen is waarom we onszelf haten, waarom we bang zijn om trots te zijn op alles wat Frans is. Als we iets willen doen aan illegaliteit in ons land, dan is er altijd wel weer een politicus die de oorlog erbij haalt.”

De zaal applaudisseert instemmend als het onderwerp is afgewerkt. Maar bij de vragensessie aan het eind van de avond borrelt bij enkele bezoekers toch enige verontwaardiging op. „Wat kunnen we doen om die dood van Frankrijk te voorkomen?” vraagt de een. „Kom met oplossingen!” roept de ander. Een vrouw in een zomerse bloemetjesjurk vraagt of „er echt een burgeroorlog met de moslims komt”, zoals Zemmour wel eens beweerd heeft, en of dat dan „net als in Kosovo” zal zijn.

„We zijn geen slaaf van onze geschiedenis”, antwoordt de successchrijver cryptisch. „Ik lever de diagnose en ik zou al heel blij zijn als een deel van de elites die zou onderschrijven.”