Dode vrienden zijn niet dood

Ze zijn al meer dan een halve eeuw vrienden, de kunstenaar en de dichter. Ze praten over Amsterdam (‘een berg van licht’), de ‘kick’ van diefstal en hun nieuwe boek.

Tekst Coen Verbraak Foto’s Andreas Terlaak

Jeroen Henneman en Remco Campert maakten samen het boekDe stad: „Een ode aan onze vriendschap.” Foto: Andreas Terlaak

‘Heb je gezien hoe fraai het eruit ziet?” , vraagt Jeroen Henneman, terwijl hij het luxe exemplaar van De Stad teder uit het foedraal schuift. „Een klein kunstwerk op zich.” De Stad bevat stadsgedichten van Remco Campert, omlijst met foto’s en tekeningen van Henneman Het is niet alleen een ode aan de stad, het is ook een ode aan hun vriendschap. „Of eigenlijk meer een bevestiging van onze vriendschap”, preciseert Campert, aan de tafel voor het raam van zijn huis in Amsterdam. Buiten sluipt de herfst al door de straat, maar binnen bestaat geen tijd. Campert en Henneman drinken koffie, luisteren, lachen smakelijk om verhalen die ze al een half mensenleven van elkaar kennen en houden ondertussen de omzet van de sigarettenindustrie zorgvuldig op peil. Al zijn ze het over één ding niet met elkaar eens: de aanvangsdatum van hun vriendschap. Volgens Jeroen Henneman (72) ontmoetten ze elkaar in 1961 in Parijs, volgens Remco Campert (85) gebeurde dat twee jaar later in Antwerpen. Hoe dan ook: de vriendschap tussen hen duurt in elk geval al ruim een halve eeuw. Of eigenlijk nog langer, zegt Henneman. „Remco was al een vriend van me vóór ik hem ontmoette. Je ziet dat werk, leest die boeken en weet: die wereld, daar huis ik ook in.” Campert lacht verlegen. Datzelfde heeft hij bij Henneman, zegt hij. Op het gevaar af dat het gesprek nu al verzandt in slijmerig gefleem. „Ik ben een groot bewonderaar van Jeroens werk. Ik gebruik het woord niet snel, maar ik vind wat Jeroen maakt vaak geniaal. Van niets iets kunnen maken, dat is Jeroen.”

Henneman: „Remco verwoordt waar ik geen woorden voor heb. Ik kan zijn werk lezen als iets heel persoonlijks, alsof hij een brief aan mij schrijft.” Hij slaat voorzichtig de grote bladzijden van De Stad om, begint dan enigszins plechtig ‘De werkelijkheid moet men vangen’ voor te dragen.

De kunst is op het punt

van ontstaan.

Dat is zijn enige punt

dat van ontstaan: daarin heeft zich

werkelijkheid

geconcentreerd, de stenen

en de ongrijpbare adem

om die stenen, de schoorsteen

en het moment van wat is rook

en wat is lucht.

Laat het nu gebeuren.

Henneman laat nadrukkelijk een stilte vallen, zegt dan: „Dan kan ik alleen maar denken: wat is dát goed gezegd!”

Ze wilden al heel lang samen iets maken, zegt Campert. „Ik had een boek over elektriciteit en techniek in mijn hoofd; het peertje, de zaag, Edison. Maar ja, er komt zo vaak weer iets tussendoor.”

Henneman: „Meisjes, belastingaanslagen…”

Campert: „Ik ben momenteel erg bezig met poëzie. Ik maak nu een bundel met vijftig gedichten over momenten uit mijn leven. Ik denk dat ik ze ‘Mijn levenswandel’ noem.”

Henneman: „Goeie titel.”

Campert: „Ja, vind je? Ik heb er nu zesentwintig af. Ik maak elke dag wel een gedicht. Het liefst zou ik er continu aan werken. Maar ja, dat columns schrijven komt daar dan wat hinderlijk tussendoor.”

Dat hun gezamenlijke boek over ‘de stad’ zou gaan was onvermijdelijk. Die stad is voor allebei hun levensader. „Ik zou nooit ergens anders kunnen leven”, benadrukt Campert. „Ik heb ooit in een landschap gewoond. Met Fritzi (Harmsen van Beek-CV) woonde ik een tijdje op het platteland. Prachtig wonen, maar ik miste iets wat me in beweging bracht. Ik zie dat terug aan het werk dat ik toen maakte. Dat is veel meer in zichzelf gekropen. Mijn omgeving was weg.”

Henneman: „De stad schiet ook op. Zo’n boom staat daar maar zo’n beetje te groeien. Dat zie je helemaal niet. In de stad worden denkbeelden meteen verwoord. Het is bij uitstek een vruchtbare akker voor ideeën.”

Ook voor Campert gaat er niets boven de metropool. Hij moet er niet aan dénken om zoals Jan Wolkers op Texel te wonen. „Het was altijd leuk bij Jan. Maar daar wonen? Nee. Ik zou me al na één dag afgesneden voelen. Blijkbaar is mijn binnenwereld niet groot genoeg om een heel eiland te kunnen bestrijken.”

En die ultieme stad is voor beiden dan toch Amsterdam. Zelfs voor een geboren Hagenaar als Campert. „Ik heb lang aan Amsterdam moeten wennen. Maar uiteindelijk werd die stad mijn huis. Vroeger kwam ik alleen even thuis om te slapen. Je leefde buiten de deur.”

Henneman: „Gisteren kwam er bij mij een bestelauto uit Oss. Achter het stuur zat een hele jonge vent. Hij had rode konen van opwinding. ‘Ik heb net op de TomTom gezien dat we hier vlakbij het Leidseplein zitten. En verderop is de Dam’. Gróte begrippen.” Henneman kan zich die opgewondenheid nog uit zijn eigen jeugd herinneren. Vanuit zijn ouderlijk huis in Haarlem kon hij over de weilanden in de verte Amsterdam zien liggen. Een berg van licht, achter de landingsbanen van Schiphol. Hij keek er verlekkerd naar, voelde een onweerstaanbare lokroep. „Daar ergens had je het Stedelijk Museum. En De Bijenkorf, met etalages vol kunst. Ik vond het magisch.” Op zijn veertiende spijbelde hij van school om met De Blauwe Tram stiekem naar Amsterdam te reizen. Campert glundert. „Oh ja… die stopte bij het Spui, he?” Henneman keek zijn ogen uit. Bij een markt stapte hij uit. Want veel verder zou die tram wel niet rijden. De keer erop bleef hij langer zitten. En wat denk je? Die tram blééf maar rijden. Het werd dichter, ouder en hoger om hem heen. Totdat hij uitstapte op het Spui, bij Atheneum Boekhandel, rondspiedend als een ontdekkingsreiziger in de binnenlanden van Borneo. „Dat vond ik zo mooi bij die jongen van die bestelauto; ik herkende diezelfde opwinding bij hem.”

De stad was ook het decor van hun eigen ontwikkeling. Al duurde het lang eer Remco Campert zichzelf als echte dichter beschouwde. „Bij mijn eerste bundel – Ten lessons with Timothy, uit 1950 – was ik er bepaald nog niet van overtuigd dat ik een goede dichter zou kunnen worden. Pas bij de tweede bundel dacht ik: ‘misschien is het toch wel de bedoeling dat ik dit doe’. Toen zag ik er wel een toekomst in.” Al kon hij er in die dagen nog beslist niet van leven. „Mijn schrijfmachine stond meer bij de bank van lening dan bij mij. De eerste jaren was het schobberdebonk. Maar ja, we hielpen elkaar allemaal. Want niemand had nog geld. Pas vanaf Het leven is vurrukkuluk (uit 1961) kon ik van mijn werk leven.”

Jullie kennen elkaar een halve eeuw. Hebben jullie elkaar wezenlijk zien veranderen?

Henneman: „De ouderdom maakt mensen milder. Ik heb Remco vroeger echt driftig meegemaakt.”

Campert zegt niets, glimlacht alleen.

Weet je nog die enorme ruzie met Jan Timman bij mij thuis?”

– „Nee, dat zegt mij niets.”

Henneman: „Ik gaf een diner in mijn atelier. Een lunch met nogal veel drank. Fatáál. Toen wij om vijf uur ’s middags nog zaten te drinken wilde Jan Timman Remco opeens duidelijk maken dat het creatief proces van schaken min of meer op gelijke voet staat met dichten. Daar had Remco geen oren naar. Zacht gezegd.”

– „Herinner ik mij niets van.”

„Het werd een enorm felle strijd. Jan schrok zich helemaal dood. Die had blijkbaar altijd in gezelschappen verkeerd waarin dat soort stellingen voor zoete koek werden aangenomen. Moest je net Remco hebben. Ik hoor hem nog zeggen: ‘Man, waar héb je het over? Schaken is gewoon maar een spélletje!’.”

– „Ja, als ik gedronken had kon ik aardig uit mijn slof schieten.”

Verder is er niet veel aan zijn vriend veranderd, vindt Henneman. „Ik zie nog altijd de jongen van toen in hem, herken die jongensachtige blik.”

Die ziet Campert ook bij Henneman. „Al is hij wel wat veranderd. Vroeger was je nogal…. ehm… avontuurlijk, zal ik maar zeggen. Nu ben je voornamelijk avontuurlijk in je werk.”

Henneman: „Mijn grootste opwinding in mijn jonge jaren – buiten dames – was diefstal. Ik pikte nogal eens wat. Er was een mevrouw in Antwerpen, een atelierhoudster, die ik ongelofelijk aantrekkelijk vond. Ze handelde in Afrikana; allerhande maskers en heiligenbeeldjes. Die werden haar aangeleverd door sloebers, die zij vervolgens uitbetaalde in natura. Die vrouw vroeg mij weleens ergens in een villa iets voor haar te gaan halen. Dat ging mij heel goed af. Zo goed, dat ik ook voor mezelf begon. De grootste opwinding was om ’s nachts om vier uur een slaapkamer in te sluipen en in het jasje van de eigenaar naar zijn portefeuille te zoeken. Hoorde je ondertussen alleen de ademhaling van die man, op twee meter afstand. Zo’n ongelofelijke kick!”

Campert, gebiologeerd: „En hoe oud was je toen?”

Henneman: „Begin twintig.”

Campert: „Dat is lang geleden.” Ze lachen allebei. Twintig! Dat is voor Campert 65 jaar geleden. Bijna een heel leven. En dat merkt hij. Als mensen vragen hoe het met hem is, dan zegt hij ‘oud’. Hij kan geen grote afstanden meer lopen. „Terwijl ik vroeger hele dagen door de stad liep. Onvermoeibaar. Maar de fysieke kracht verlaat je.” En dan mag hij nog niet eens klagen. Hij is er tenminste nog. Al wordt hij wel steeds meer de laatste ooggetuige van zijn eigen tijd. „Bijna al mijn vrienden zijn al dood. Dat is enorm treurig. Iets waar je niet aan went. Ik droom vaak over ze. Dan leven ze weer even. Een paar nachten geleden kwam Rudy Kousbroek op bezoek. Dan zitten we weer te praten, net als vroeger. En dan wéét ik dat ik droom, maar dat hindert niet. Dan voel ik me zo thuis, teruggekeerd in de veiligheid van vroeger. Als ik wakker word, ben ik niet alleen droevig, maar ook opgewekt. ‘Fijn, ik heb Rudy weer ontmoet’.”

vrienden voor altijd

vergeet dat niet

sterven is geen excuus.

(uit ‘Aan de poëzie’)

Vriendschap blijft bestaan, ook als de dood tussenbeide komt. „Je blijft vrienden van elkaar, ook als de ander niet meer leeft”, zegt Henneman. Hij heeft thuis nog een ouderwetse telefoonklapper, vol met namen van mensen die al jaren de telefoon niet meer kunnen opnemen. „Sommige kruis ik door, andere niet. De één is blijkbaar toch minder dood dan de ander.’

Campert, fel: „Stel je toch eens vóór dat ik Rudy door zou strepen!”

Henneman: „Nee, natuurlijk niet. Dan bedoel ik eerder een loodgieter van twintig jaar geleden.”

Campert: „Voor mij zijn ze ook niet dood.” Onlangs droomde hij nog over zijn vader (verzetsstrijder Jan Campert, die in 1943 in concentratiekamp Neuengamme omkwam). Het is al meer dan zeventig jaar geleden dat hij hem voor het laatst zag. En toch was hij er opeens weer. „Ik ontmoette hem in mijn droom in café Scheltema. Dat was een heel geladen moment. Ik werd min of meer snikkend wakker. Ontroerd dat-ie er even wás, dat-ie me omarmde en kuste. Op onverwachte momenten komt dat terug. Ik wil ook helemaal niet dat dat ooit weggaat.”

Zijn vader werd maar veertig. Hij is hem in jaren al dubbel voorbijgegaan. „Maar als ik aan hem denk zie ik een jonge man voor me. Hij blijft zoals hij was toen ik hem voor het laatst zag, vlak voor zijn arrestatie. Ik moet toen een jaar of elf geweest zijn. Ik was ondergebracht bij zijn moeder, oma Campert. Hij kreeg nog ruzie over mij met mijn oom. Ik had wijn gemorst. Mijn oom was woedend, schoot uit met zijn hand. Mijn vader sprong op, had ‘m bijna een klap verkocht. ‘Daar kan die jongen niks aan doen!’.”

Henneman: „Dat is je allerlaatste herinnering aan hem?”

Campert knikt. De herinnering ontroert hem. „Hij rook ook zo lekker. Naar tabak, vermengd met een licht parfum, vermoedelijk van een vriendin.”

Verandert vriendschap van karakter als de zon steeds lager komt te staan?

Henneman: „Ik denk dat het koesterende dat je voor de doden voelt ook in je levende vriendschappen sluipt. Remco is mij door de jaren heen alleen nog maar dierbaarder geworden.”

Campert: „Dat voel ik precies zo. Juist omdat je al zoveel mensen hebt zien weggaan.” En toch, over de dood hebben ze het samen amper. Waarom zouden ze ook? „De dood is zo’n abstractie. Daar heb ik geen verstand van.” Al denkt Campert er wel vaker aan dan vroeger. Een paar jaar geleden hebben zijn vrouw en hij samen met hun vrienden Kees en Barbara van Kooten alvast twee graven gekocht op Zorgvlied. Naast elkaar. „Ik ben er een tijdje geleden gaan kijken. En ik moet zeggen: het ligt er keurig bij. De gedachte dat we daar ooit met zijn vieren zullen liggen bezwaart mij niet in het minst. Met Kees en Barbara is het altijd enorm gezellig. Echt, ik kan me er nu al op verheugen.”