De waarheid is verhuld Kogels van buitenaf

Bij de beëindiging van de treinkaping bij De Punt zijn geen kapers geëxecuteerd, maakte minister Opstelten deze week bekend. Eerder deze maand stelden nabestaanden van de Molukse kapers de staat toch aansprakelijk voor geleden schade. Het drama uit 1977 vanuit twee perspectieven. „Wij nabestaanden hebben het recht te weten wat er exact is gebeurd in de trein.”

Door Hugo Logtenberg

foto roger cremers

Nona Lumalessil ziet de langwerpige kist na 37 jaar nog altijd haarscherp voor zich. „Hij stond in de woonkamer, op twee metalen standaards en had een raampje, waar doorheen we alleen zijn gezicht konden zien.”

Gehuld in een lichtbruine bodywarmer vertelt ze in een Amsterdams restaurant over haar jongere broer Ronnie, in mei 1977 één van de negen bewapende Molukse kapers van een trein nabij het Drentse dorp De Punt. Haar oudere broer Rudy behoorde ook tot de kapers. Hij verliet de trein levend, in tegenstelling tot Ronnie. Lumalessil: „Ik kon niet meer stoppen met huilen bij het zien van de kist.” Dan met gebroken stem: „Mijn moeder trok letterlijk haren uit haar hoofd van verdriet.”

Afgelopen woensdag herhaalde de Nederlandse regering na nieuw onderzoek dat in 1977 geen opdracht is gegeven tot „doelbewuste executie” van de kapers. Bij de met veel geweld beëindigde treinkaping kwamen zes kapers en twee gegijzelden om. Nona Lumalessil (58) vertelt er voor het eerst openlijk over. Haar stem is zacht.

Naast haar zit Junus Ririmasse, een andere kaper die de trein levend verliet. Acht jaar zaten hij en Rudy Lumalessil vast. Ririmasse werd daarna kunstenaar, Lumalessil leidt een anoniem bestaan. „Hij is hulpverlener geworden”, zegt zijn zus. Ze glimlacht. „Zo kan het leven van een kaper gaan.”

Geduldig vertelt ze waarom ze onlangs met Ririmasse en vier andere nabestaanden de Nederlandse staat aansprakelijk heeft gesteld voor de „executie” van de gedode kapers. Uit recent opgedoken autopsierapporten blijkt Ronnie Lumalessil door veertien kogels te zijn geraakt, waarvan er één zijn achterhoofd doorboorde. Zo precies was het de familie nooit verteld. Lumalessil: „We hadden geen idee. De kist van Ronnie was door de Nederlandse overheid verzegeld. Openen was een strafbaar feit, zo werd duidelijk gezegd. Nu begrijp ik waarom. De waarheid moest worden verhuld.”

Junus Ririmasse luistert aandachtig. Af en toe knikt hij. Praten gaat sinds zijn hersenbloeding lastig. Zijn grijze haar hangt losjes over zijn schouders. Lumalessil: „Wij nabestaanden hebben het recht te weten wat er exact is gebeurd in de trein. Daar vechten we voor.”

Erkenning van de werkelijke toedracht en een mate van financiële schadeloosstelling zou eindelijk rust geven, zegt ze. Bovendien zou kennis van de achtergrond van de kaping begrip kweken bij Nederlanders. „Nederlanders weten nog altijd niet wáárom mijn broers een trein hebben gekaapt.” Die onwetendheid zit haar en veel Molukkers dwars. „De kaping was de uitkomst van jarenlange vernedering, tegenwerking en de niet nagekomen belofte door jullie regering aan onze ouders dat we terug konden keren”, zegt Lumalessil. Zelf voelt ze zich geen Nederlander. „Ik heb een Nederlands paspoort, maar ik ben Moluks.”

Een vrij Ambon

Het verhaal van de ‘Nederlandse’ Molukkers, onder wie de familie Lumalessil, begint in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandse poging de zeggenschap over Nederlands-Indië te heroveren, stuit op hevig verzet van Indonesië. Daarop zet Nederland het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in. Vader Lumalessil is sergeant van het elitekorps.

Het Nederlandse plan sneuvelt echter door gebrek aan internationale steun. Als op 25 april 1950 de onafhankelijke ‘Republik Maluku Selatan’ (RMS) wordt uitgeroepen maar Nederland die niet erkent, komen de 4.000 Molukse KNIL-militairen in het nauw. Voor de ‘andjing nika’, de Molukse verraders, is geen plaats meer in Indonesië. Als „tijdelijke” oplossing worden de oud-strijders met hun gezinnen naar Nederland verscheept, om later terug te kunnen keren naar een vrij Ambon.

Zo ook het jonge gezin Lumalessil, dan twee kinderen en een pleegzoon rijk. De ontvangst is kil. Vader Lumalessil wordt na de bootreis naar Nederland ontdaan van zijn militaire status. Een pijnlijke vernedering na zijn inzet voor de KNIL. In Nederland wordt hij, de taal onmachtig, stoker in het ketelhuis van Westerbork, het voormalige doorgangskamp voor Joden waar veel Molukkers in barakken zijn ondergebracht.

Moeder Lumalessil runt het huishouden dat uiteindelijk tien kinderen telt. Later werkt ze aan de lopende band in een conservenfabriek. Het gezin woont, net als veel andere Molukkers, in het Drentse dorp Bovensmilde. „We waren een doorsnee Moluks gezin”, zegt Nona Lumalessil. Ze krijgt een strenge, protestantse opvoeding. De strijd voor onafhankelijke Molukken en het idee snel terug te keren, horen daarbij. Symbolisch is de koffer onder het ouderlijke bed met daarin een vlag van de RMS. Klaar voor vertrek.

Met demonstraties, hongerstakingen en andere vreedzame acties pogen de Molukkers hun punt te maken: erkenning door de Nederlandse staat en een eigen, onafhankelijke republiek. Lumalessils broers doen volop mee. De uiteindelijk steeds gewelddadiger protesten halen weinig uit. De frustratie onder de Molukkers groeit.

Het leidt op 23 mei 1977 tot de kaping van de intercity. De leden van het gezin Lumalessil zien het op het nieuws. Nederland siddert. Twee jaar eerder zijn bij een Molukse treinkaping drie onschuldige inzittenden geliquideerd.

Dat dit keer twee van de kapers geliefden zijn, ontdekt de familie Lumalessil snel. „Ronnie had een briefje achtergelaten. Dat eindigde met de voorspelling dat de kans groot was dat hij niet terug zou komen.” Haar ouders zijn „bezorgd”, zegt Lumalessil. Een andere zoon zit nog vast voor de bezetting van het Indonesische consulaat in Amsterdam, twee jaar eerder, waarbij één dode was gevallen. Het maakt dat de sfeer in huis gespannen is.

Uit „voorzorg” besluit het kabinet kort na de kaping de hele Molukse wijk in Bovensmilde hermetisch af te sluiten. „Als ik eruit wilde, werd ik eerst gefouilleerd”, zegt Lumalessil. Militairen dringen ’s ochtends vroeg de ouderlijke woning binnen, op zoek naar wapens. Allemaal worden ze uit bed gehaald. „Ik zie mijn vader nog staan in zijn hemd en onderbroek.” Ze schudt haar hoofd.

De ontknoping van de kaping op 11 juni volgen ze thuis, op televisie. Ze horen dat er zes kapers zijn omgekomen. Lumalessil: „Maar welke?! wilden wij natuurlijk weten.” Een kerkenraadslid brengt het slechte nieuws. „Mijn moeder begon onbedaarlijk te huilen.” Zelf was ze „verdoofd”. „Ik wist op dat moment niet wat ik moest voelen.” De exacte doodsoorzaak van Ronnie Lumalessil hoort de familie niet. „Door schoten van buitenaf,” luidt de obligate toelichting.

Autopsiefoto

De kaping isoleert de Molukse gemeenschap volledig, herinnert Lumalessil zich. „De sfeer in Nederland was: er had geen Molukker levend uit die trein moeten komen. Bij de uitvaart van Ronnie stonden Nederlanders te klappen langs de kant van de weg. Dat zegt alles.” Ze begrijpt de boosheid van de Nederlanders, al zouden haar broers en de andere kapers geen inzittende hebben omgebracht, zegt ze. „Dat weet ik zeker.”

Door het optreden van de Nederlandse regering is er volgens haar „onnodige pijn” geleden. Nog altijd is er die ene vraag: wat is er exact gebeurd in de trein op 11 juni? Alle verzoeken tot openbaarmaking van de autopsie- en onderzoeksrapporten stuiten op verzet van de Nederlandse regering. Tot een groep mensen onder leiding van journalist Jan Beckers zich in 2012 succesvol vastbijt in de zaak.

Zo krijgt Nona Lumalessil bijna 40 jaar later toch de autopsiefoto van haar broer te zien. „Hij was gehavend maar ik herkende hem meteen, liggend op de autopsietafel. Precies het beeld dat de Nederlandse regering ons nooit wilde laten zien.”

Junus Ririmasse volgt het gesprek niet meer. Hij is vermoeid. Lumalessil herhaalt in het Maleis de vraag van de verslaggever hoe hij op de kaping terugkijkt. Ririmasse: „We hebben het Nederlandse volk verteld wie we zijn, hoe we hier kwamen en waar we, nog altijd, voor strijden.” Spijt? Nee, dat heeft hij niet.

Lumalessil: „Junus, mijn broers en de anderen kaapten niet zomaar een trein. Zij brachten een offer en zetten zo de strijd voort van mijn ouders’ generatie, voor een vrije en onafhankelijke Molukse republiek. Want die komt er. Ooit.” Ze vouwt haar handen. „Alleen God weet wanneer.”