De plezierjacht op zweefvliegen krijgt opeens iets filosofisch

Dit boek is interessant voor veldbiologen, speciaal voor zweefvliegonderzoekers, en helemaal voor niet-veldbiologen. Het leert hoe mensen waarnemen, hoe ze verzamelen en waar dat toe leidt.

Hendrik Sjöberg is schrijver en insectenkundige (entomoloog), gespecialiseerd in zweefvliegen (Syrphidae). Hij is Zweed en woont op een eiland in de Oostzee, in de buurt van Stockholm. Het eiland is 15 vierkante kilometer groot en Sjöberg heeft er in 7 jaar 202 soorten zweefvliegen gevangen. Dat was de stand in 2004, toen het inmiddels veelvertaalde Flugfällan in Zweden verscheen. Hij schrijft over die 202 gevangen soorten: „Een triomf, geloof me.”

Op de veel grotere Oostzee-eilanden Öland en Götland hebben entomologen in 250 jaar niet zoveel soorten gevangen. Dat komt, legt Sjöberg uit, doordat het eiland veel verschillende biotopen heeft. Dat begrijpen we. Maar het komt ook door „de diepte van de knopologische afgrond” en nog het meest door „de mogelijkheid van een leven van stilzitten”. Die twee op het oog onbegrijpelijke oorzaken overheersen de rest van het boek.

De knopologie is het met wetenschappelijke pretenties verzamelen van onzinnige voorwerpen. August Strindberg muntte het woord in 1884 in zijn novelle Eiland der gelukzaligen. Sjöberg weet dat hij, net als de meeste veldbiologen, als zweefvliegdeskundige tot knopologie neigt: „Begrijp me goed. We hebben het hier over plezierjacht, nergens anders over. Ik zou wel een aantal zeer goede en heel verstandige redenen kunnen noemen waarom je eigenlijk ook vliegen móét verzamelen. Wetenschappelijke en natuurbeleidsmatige. Maar het zou hypocriet zijn om met iets anders te beginnen dan het zuivere plezier.”

Entomologen vangen insecten en doden de dieren meteen. Vaak weten ze thuis pas wat ze vangen. Maar de bioloog die in de vrije natuur zijn werk doet krijgt te maken met voorbijgangers, vaak „cultuurloze lieden, die menen te weten dat iemand die een vlieg kwaad doet, amoreel en wreed is. Dat zijn ecologische types, brave flagellanten, als u me de uitdrukking toestaat, die bij hun stinkende villacomposthopen neerhurken.”

Zo nemen veldbiologen mensen waar. Sjöberg vertelt veel over urenlang observeren, op de juiste tijd op de juiste plaats zijn, over de rust die dat geeft en over het ‘lezen van het landschap’. Maar hij spaart zijn eigen soort niet. Hij illustreert het lot van de veldbioloog met de teloorgang van zijn beroemde voorganger, de Zweedse entomoloog René Malaise (1892-1978). Malaise is de uitvinder van de vliegenval waar het boek zijn titel aan dankt. Het is een gazen puntdaktent met vrijwel open zijkant en schuine nok. Bovenin die nok zit een gat dat uitkomt in een gifkamer. Malaise merkte op dat vliegen wel een ruimte binnenkomen, maar nooit de uitgang vinden en zich in de nok verzamelen.

Malaise werd beroemd door expedities naar Kamtsjatka en Birma, voor de Tweede Wereldoorlog, waarvandaan hij met enorme verzamelingen nieuwe insecten terugkeerde. Na de oorlog was hij conservator in een Zweeds natuurhistorisch museum, ging steeds meer geloven in het verzonken continent Atlantis, gaf daarover in eigen beheer boeken uit, struinde veilingen en rommelmarkten af en vond daar schilderijen die hij toeschreef aan meesters uit de Renaissance en de Gouden Eeuw. Hij bezat twee Rembrandts, naar eigen zeggen. Kopieën, bleek na zijn dood. De knopoloog was in zijn eigen vliegenval getrapt.

In dit soms hilarische, soms filosofische boek laat Sjöberg in het midden of hij zelf die kant op gaat.