Daar komt ‘ie

Peter de Krom fotografeert al jaren de intocht van Sinterklaas in Hoek van Holland. Zelfs daar ziet hij rituelen veranderen. Maar Pieten blijven Pieten. Dit jaar voeren we mee.

Drie uur en 30 minuten tot de intocht. De meeste pieten zijn al helemaal geschminkt. Ze lopen wat onrustig door de kantine van de tennisvereniging. Sommigen gaan voortdurend naar de wc, donkerbruine vegen achterlatend op de kleedkamerdeur. Anderen zoeken afleiding op hun telefoon of proberen door de met vuilniszakken afgeplakte ramen te zien of het nog regent.

Een sigaretje roken is er niet meer bij, daar gaat het pietenpak zo van stinken.

Richard, type sportschool, doet het rustig aan. Hij zit nog in zijn thermowear aan de koffie en kijkt op zijn horloge. „Aah, tien uur pas.” Na vele jaren als Piet Ricardo weet hij: hoe later je aan de hele verkleedpartij begint, hoe korter je daarna zit te zenuwpezen. Achteroverleunend: „Ik heb maar tien minuutjes nodig.”

Terwijl pietentechno uit de boxen dreunt en dames de laatste vrijwilligers donkerbruin schminken, bezoekt penningmeester Gerrit achterin de zakkenvullers. „Lukt het?”

Een paar jongens mixen de driehonderd kilo strooigoed die Gerrit gisteren heeft opgehaald bij de Hema op het Brinkplein. „Een combinatie van schuimpjes, kruidnoten en assorti.” Maar nu blijkt de plastic binnenzak („wel zo hygiënisch”) niet de goeie maat en komt het dus toch weer aan op improviseren.

Vorig jaar was Gerrit nog hoofdpiet, maar met alle commotie over Zwarte Piet dit jaar besloot hij in de organisatie te gaan. Kan hij beter een oogje in het zeil houden. „Als hoofdpiet moet je in je rol blijven .”

Niet dat hij vandaag problemen verwacht. Met 4 procent allochtonen van niet-westerse afkomst is Hoek van Holland een van de witste deelgemeenten van Rotterdam. Op de ruim 10.000 inwoners zijn er minder dan honderd zwart. Van de lokale politiek hoefde de organisatie niets aan te passen en in een internetpoll onder Hoekenezen was 94 procent voor behoud van Zwarte Piet.

„Maar je weet het niet”, zegt Gerrit. „De Sint komt hier aan vanaf zee, dat trekt ook veel bekijks uit de omgeving. En er hoeft maar één gek tussen te zitten.” De lijntjes met de politie zijn vandaag kort en strak.

Geen lubberende handschoentjes

„Hé Richard, waar is je haarnetje?” Een vrouw knipoogt in het voorbijgaan. Richard, kortgeschoren, gaat er niet op in. Hij toont zijn arm en houdt zijn duim en wijsvinger erboven, een flink stuk uit elkaar. „‘Riesj’, zeiden ze die eerste keer. ‘Zó’n laag kippenvel krijg je straks als je die haven binnenvaart.’ Nou, dat zal wel meevallen, dacht ik. Nou niet hoor. Tienduizend mensen staan straks aan die kade, hè. Die komen voor jou. Je voelt je net een filmster.”

Michel, al in vol ornaat, schuift aan. „Ik ben zo blij met m’n mutsie, hè.”

De twee kennen elkaar al jaren, van de Sinterklaasintocht. Anderen zien op tegen de wintermaanden, maar voor hen is het de leukste tijd. En allebei hebben ze een nieuwe pietenmuts. Eerst hingen de flappen ervan voor hun ogen, dus hebben ze die bij een Turks vrouwtje „effe ingekort”.

Richard heeft een eigen op maat gemaakt pietenpak, net als Michel. Vierhonderd euro bij ‘t Feesthuis in Wateringen. Hij heeft ook zijn eigen pruik, zijn eigen kraag en zijn eigen handschoenen. Hoeft hij niet meer te klooien met van die lubberende handschoentjes van de organisatie. Richard trekt ze aan. „Kijk, sluit perfect. En geen inkijk.”

Schminken doen ervaren pieten ook zelf. „Gaat veel sneller”, zegt Richard.

„Alleen het eraf halen was in het begin even lastig”, zegt Michel. „Vooral het oogpotlood. Die meiden halen het er zo af, liep ik met bloedende oogleden.” Voor de schmink, watervast, moet je babyolie gebruiken, weet Richard. „Die beginners blijven maar douchen.”

Onervaren pieten herken je al aan hun binnenkomst, zegt Richard. Die gaan eerst om zich heen staan kijken. Ervaren pieten beginnen meteen. „Kom, dansen! Polonaise!” Kinderen staan strak van de spanning, zeker als Sint er nog niet is. Die moet je vermaken.

Michel: „Als Sint straks aankomt zul je zien: hij geeft iedereen een hand.”

Richard: „Hier loopt Sint nog tussen de mensen door.”

Om op tijd vanaf de haven bij het Brinkplein te zijn zullen twee pieten straks een meter voor de Sint uitlopen. Aan hen de taak opdringerige moeders weg te houden en de hausse aan selfies enigszins te beperken.

Pepernoten de lucht in gooien is een tactiek om ruimte te creëren, zegt Richard. „Wel onderhands, anders krijg je van die opgeschoten gasten die gaan teruggooien.” Eén keer heeft hij meegemaakt dat hij naast Sinterklaas twee puberjongens hoorde zeggen: ‘Pak z’n baard!’ Richard zag zo een arm langs hem richting baard bewegen en greep in. Vriendelijk en geruisloos, zoals een piet hoort te doen.

„Maar dat armpie is wel effe in de rondte gegaan, ja.” Achteroverleunend: „Daar heeft niemand wat van gemerkt hoor. Ja, híj wel”.

Koffie door een rietje

2 uur en 30 minuten tot de intocht. Richard is geschminkt en de muziek gaat uit. Monica, de nieuwe voorzitter van de stichting, neemt het woord. Ze is de opvolger van Herman, die na veertig jaar moest opstappen omdat zijn dubbelrol als voorzitter en Sinterklaas politiek gevoelig lag – bovendien was het tijd voor een frisse wind, sponsors lieten het afweten.

„Het is nog niet droog, helaas”, zegt Monica tegen de groep. Als ze vraagt wie er straks nog mee wil naar het bejaardenhuis, steken vier mensen hun vinger op.

„Ik heb er nog één nodig. Wie o wie?”

Het blijft stil.

„Menno!”, roept iemand.

Menno schudt vastbesloten zijn hoofd. „Nee, nee, dat doe ik niet!”

In het bejaardenhuis, weten de pieten, is het altijd erg warm. En Menno wil vandaag gewoon lekker lol maken, het is zijn eerste keer. Hij heeft net vijftien jaar lang met zijn moeder bij tehuizen gelopen.

„Sigaretten moeten in de kantine blijven”, benadrukt Monica. „Vragen? Geen vragen? Ga er lekker van genieten!”

„Hoehoe!”, klinkt het.

Even later haalt iemand de staf van Sinterklaas te voorschijn. In twee delen. Daarna verschijnt ook Sinterklaas zelf in de deuropening. Peter, 35, uit Wateringen, dezelfde ingehuurde Sinterklaas als vorig jaar. Een vlotte jongen in grijsleren jack en spijkerbroek. Volgens sommige pieten iets té vlot, al geven ze toe: hij bracht het leuk vorige keer, hij kreeg ook de bejaarden mee.

Bij het arriveren van de buschauffeur neemt een piet nog gauw een slok koffie door een rietje, terwijl Richard in een paal hangt en een vrouwelijke piet een zwarte krulpruik omhoog houdt en vraagt of iemand die vergeten is. Niemand reageert, dus hangt ze hem maar lachend in haar kruis.

Eten uit eigen zak

Nadat Monica op verzoek van de buschauffeur heeft benadrukt dat de bus netjes moet blijven (vorig jaar had iemand een boterkoek in de asbak uitgedrukt), rijdt de touringcar met gesloten gordijntjes richting haven, driehonderd meter verderop.

„Daar gaan we dan.”

„Op weg naar Spanje.”

„En gelijk weer terug.”

Bij de overstap op de pakjesboot, Partyship Jorina, staan de dranghekken al paraat. Het is weleens gebeurd dat kinderen er al stonden, twee uur voor de intocht. De pieten moesten de boot nog op. „Verantwoordelijkheid van de ouders”, vindt penningmeester Gerrit.

„Kan de muziek weer aan?” vraagt een piet als het schip uit de haven is weggevaren. „Liefst hele foute.” En dan is het lange wachten begonnen. Twee uur dobberen en dan weer terug. Dit is het moment dat de verveling toeslaat en steeds meer pietenhanden in de opgeslagen zakken met strooigoed verdwijnen.

Eten uit eigen zak, dat had Truus Lange-laan nooit goed gevonden, weet piet Ellen. Al sinds haar negende vaart de 39-jarige Ellen mee op de pakjesboot. Ze moest wel, de hele familie deed mee dus was er thuis geen oppas.

De inmiddels overleden Truus Langelaan was de grande dame van de Sinterklaasintocht in Hoek van Holland. Een strenge vrouw, immer getooid in bontmuts met twee bungelende klauwtjes, die eerst vroeg wie je ouders waren en dan besloot of je mee mocht varen. Elke piet controleerde ze op nette schoenen en op witte sporen in oren en nek alvorens ze boven in de kajuit plaatsnam bij de schipper en de Sint. „Van die adhd-types die er nu bij zitten had ze nooit getolereerd”, zegt Ellen. „En soms heb je van die meisjes die gaan staan kleffen met een vriendje langs de kant. Dan had ze thatcheriaans ingegrepen.”

Veranderd zijn ook de kinderen, zeggen de ervaren pieten. Die worden elk jaar gretiger. „Vroeger hielden ze een handje op, nu komen ze met zakken”, zegt Elly, twintig jaar piet. „Eerst boterhamzakjes, nu pedaalemmerzakken. Of hele tassen van Albert Heijn.”

Soms grijpen de pieten in: ‘Joh, mogen we júllie zakken.’ Richard pikt er soms een schuimpje uit. ‘Oh lekker.’ En kinderen die te vaak voor je neus staan, negeer je gewoon, zegt Ellen. Tegen Elly: „Dat gezin met die vier kinderen, weet je nog? Die zeuren het hardst. Vorig jaar klaagde er zelfs nog eentje bij de hoofdpiet dat hij de pepernoten te hard vond.”

Sommige veranderingen juichen de pieten best toe. Ze vinden het prima dat de lippenstift niet meer dik wordt uitgesmeerd maar alleen nog de lippen bestrijkt. „We zijn geen clowns!” En dat de oorbellen vanwege de maatschappelijke discussie nu thuis blijven scheelt ’s avonds flinke pijn aan de lellen. Oma-, vrouw- en Elvispiet zijn ook welkom en ze vinden het prima dat de schmink nu donkerbruin is in plaats van zwart. Maakt de piet vriendelijker. Het spul blijft bovendien beter zitten waardoor kinderen niet meer raar opkijken als ze opeens een zwarte veeg op hun vinger hebben. Richard: „Lul je wel weer een punt aan, maar toch.”

Maar meer wordt er niet aangepast. Daarover zijn de pieten het eens.

Gekleurde pieten? Nóóit. Dat is geen racisme, dat is gewoon behoud van traditie, zeggen ze. Monica: „Die tegenstanders passen hun feest toch ook niet aan?” Elly: „Zwarte Piet hoort zwart”.

De organisatie in Hoek van Holland wilde weleens weten hoe de gekleurde piet in de groep lag en hield dit jaar een enquête. Driekwart van de 37 pieten zou afhaken, vooral de oude garde, en geen één piet wilde een andere kleur. Richard: „Ik ben geen smurf! Ik ben Zwarte Piet.”

Wassen op 30 graden

Dertig minuten tot de intocht. In de kajuit zet de schipper koers richting haven terwijl Peter, de ingehuurde sinterklaas, naast hem een haarnetje over zijn hoofd trekt. Hij houdt een blonde pruik omhoog, sprayt er een „lekker stevig lakkie” overheen zodat de krul erin blijft, want het regent, en haalt daarna uit een zakje een blonde snor. Eens per jaar zet hij de boel netjes in de krul bij de pruikenpakker, „verder knappen we hem zelf op”.

In alle rust trekt Peter zijn tabberd aan en daarna zijn mantel. Voorheen bracht hij het hele zaakje naar de stomerij, maar wassen op 30 graden en drie dagen uithangen blijkt prima te voldoen.

Peter gaat zitten voor een spiegeltje en begint naast het Boek van Sinterklaas (staat niets in) zijn wenkbrauwen in te lijmen. Extra sterke huidlijm, zodat niet hetzelfde gebeurt als vorig jaar. Toen viel tijdens de intocht door vocht en transpiratie zijn snor opeens af en werd hij stante pede een kapsalon in gedirigeerd. De truc is: vooral geen aandacht aan schenken, „een kind ziet het niet”.

Terwijl Peter rustig zijn snor inlijmt klinkt buiten plots gezang. Een sinterklaasliedje op volle zee, gezongen uit kinderkeeltjes. „Wie zoet is krijgt...” Een boot van de Koninklijke Reddingsmaatschappij met daarop zeker dertig zwaaiende kinderen komt steeds dichterbij.

Verschrikt kijkt Peter op van zijn spiegeltje. „Jahaa”, zegt de schipper, „had je eerder moeten beginnen.”

„Het zou fijn zijn als ze niet te dichtbij komen”, zegt Peter met de krulsnor in zijn hand.

De schipper pakt de telefoonhoorn en belt zijn collega. „Hier de pakjesboot. Kunnen jullie een klein beetje achter ons blijven…”

„Sinterklaas! Sinterklaas!” roepen de kinderen.

Een paar meter is de afstand nog tussen de boten. Met spiegel en snor duikt Peter onder het tafeltje terwijl pieten vanaf het dek proberen de kinderen af te leiden met gezwaai. „Waar blijft de Sint nou”, mokt een piet. De collega-schipper heeft de boodschap inmiddels begrepen.

Eén minuut tot de intocht. De kade staat vol mensen.

„Ik hoor net dat mijn neus wit is!” roept een piet benedendeks. „Wie heb er poeier?” Bovendeks rent een piet heen en weer („effe de spanning eraf lopen hoor”), terwijl een ander bij de reling moppert over degenen die hun strooigoed nog binnen hebben staan. „Los jongens, kom op, hè”, roept een piet. De boot meert aan en daar gaan ze, de stromende regen in. <<