Argentijn zonder steak

Argentinië en vlees zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar de vleesindustrie lijdt zware verliezen en Argentijnen kunnen hun biefstuk niet meer betalen.

Groot barbecuefeest in Argentinië, waar 30.000 mensen samen 13.713 kilo rundvlees hebben verstouwd. Foto’s Reuters

De ober met een geblokt schort voor zijn borst zet twee borden met grote, sappige stukken vlees op tafel, draait ze met de juiste kant naar de gasten en veegt een drupje rood sap met zijn theedoek van de rand. „Twee bifes de chorizo”, zegt hij met lichte trots in zijn stem. Het is een gewone maandagavond en La Cabrera, het beste vleesrestaurant van Buenos Aires, zit bomvol.

Dat is precies het beeld dat je verwacht in Argentinië. Met in iedere stad een Argentijns steakhouse is vlees hét symbool waarmee buitenlanders Argentinië associëren, en Argentijnen zichzelf. Vlees is zelfs zo verbonden met de nationale identiteit, dat voormalig president Menem zich in de jaren negentig tegen een Amerikaans tijdschrift liet ontvallen: „Zeg tegen je lezers: kom niet naar mijn land als ze vegetariër zijn.”

Maar vlees eten is niet meer vanzelfsprekend in Argentinië. Rundvlees is voor veel Argentijnen onbetaalbaar geworden. Argentinië consumeert per hoofd van de bevolking nog altijd het meeste rundvlees ter wereld, maar veel malse biefstukken in buitenlandse restaurants zijn niet meer van Argentijnse makelij: Argentinië verdween uit de top-10 van meest exporterende vleeslanden ter wereld.

Dat is opvallend, gezien de overdaad aan ruimte, het gunstige klimaat en de hoeveelheid grasland in Argentinië, een land met ruim 41 miljoen inwoners dat in oppervlakte 67 keer groter is dan Nederland. Voor de noodlijdende vleessector is de teloorgang vreselijk om aan te zien. Sinds 2010 sloten 138 van de vierhonderd slachthuizen noodgedwongen hun deuren. Volgens cijfers van de Vereniging van Slachthuizen en Vleesindustrieën (AFIC) verloren ruim 15.000 arbeiders hun werk.

Het is deels te wijten aan de economie: Argentinië zit middenin een diepe crisis. De inflatie bedraagt dit jaar volgens de officiële cijfers 21,4 procent, maar de regering heeft onafhankelijke inflatiecijfers verboden – het IMF houdt bij gebrek aan informatie daarom geen cijfers bij. Verschillende onafhankelijke bureaus wijzen echter op een inflatie van zo’n 40 procent op jaarbasis. Naar schatting neemt de inflatie maandelijks met 3 procentpunt toe.

Maar de echte oorzaak is politiek van aard. In 2006 besloot de toenmalige president Néstor Kirchner, de in 2010 overleden echtgenoot van de huidige president Cristina Kirchner, de vleesexport te verbieden. De reden: de vleesprijs voor de binnenlandse markt laag houden. Door een groeiende vraag uit China en het stijgen van de vleesprijzen op de internationale markt, vreesde de regering dat de eigen bevolking zou gaan klagen.

Ook voerde de regering een exportheffing in van 15 procent. De export – die na een verbod van 180 dagen weer op gang kwam – werd daarnaast aan quota gebonden. Het directe gevolg was een overvloed aan vlees op de binnenlandse markt, die hierdoor tegen bodemprijzen werd verkocht. Omdat veel boeren dat niet volhielden, ontstond vervolgens schaarste. Sinds 2012 exporteren kleine buurlanden Uruguay en Paraguay meer vlees dan Argentinië.

Onmogelijk

„Het is diep triest.” Vleeskoeienhouder Alfredo Simonetti stapt uit zijn pick-up truck en loopt richting zijn vee, dat tegen een bergkam in het zuiden van de provincie Buenos Aires vredig staat te grazen. „Theoretisch gezien heeft mijn bedrijf een enorme potentie”, zegt Simonetti (55), tevens voorzitter van de lokale afdeling van de Rurale Argentijnse Sociëteit (SRA), een landelijke belangenvereniging van boeren. „Maar in de praktijk heb ik het zwaar. De regering maakt mijn werk langzaam onmogelijk.”

Simonetti’s familiebedrijf is met duizend koeien middelgroot, hij kocht zijn eerste land in 1996. Zijn vrouw en zes kinderen helpen mee in het bedrijf, het meeste werk verricht hij zelf. „We moeten worstelen om dit bedrijf draaiende te houden”, zegt de boer. Hij bootst het geluid van zijn koeien na, die nieuwsgierig op hem afkomen. „Het is iedere dag harder werken, voor steeds minder winst.”

Behalve quota, hoge belastingen en een grote droogte in 2008, die een miljoen koeien in Argentinië het leven kostte, hebben boeren als Simonetti een ander probleem: de parallelle wisselkoers. Omdat de Argentijnse regering de hoge inflatie ontkent – en er een grote schaarste is aan dollars – is een dollar volgens de regering momenteel 8,4 peso waard. Maar op de zwarte markt kost een dollar nu 13,4 peso. Exporteurs lijden daardoor grote verliezen. Zij ontvangen slechts 63 procent van de werkelijke waarde van hun product.

Voor Juan David Duffy is het verschil tussen de officiële en de reële economie het grootste probleem. De boer van Ierse afkomst (48) doet de deur van zijn boerderij open en maakt een lichtje in de duisternis. De schapenhouder woont niet meer op het terrein van zijn bedrijf, maar in het nabijgelegen Pigüé. De boerderij maakt een verlaten indruk. „De internationale prijs voor vlees is historisch hoog, maar ik merk er niets van.” Duffy staart kort voor zich uit. „Ik had vier mensen in dienst, nu doe ik alles alleen.”

Een bloeiend boerenbedrijf was de droom van Duffy’s grootouders, die in de jaren dertig uit Ierland naar Argentinië kwamen. „In die tijd was dat mogelijk”, zegt hij. „Nu is alles duur: aan benzine heb ik enorme kosten. Onderdelen voor mijn machines zijn bovendien nauwelijks te krijgen, want door die parallelle koers kost importeren klauwen met geld.” Duffy zucht. „Veel van mijn buren zijn al verdwenen. Maar het ergste vind ik dat zoveel mensen ter wereld honger lijden, terwijl wij de potentie hebben veel meer te produceren dan we nu doen.”

Meer productie zou de wereld inderdaad goed kunnen gebruiken. Volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) zal de vraag naar landbouwproducten wereldwijd de komende jaren iets minder hard zal stijgen dan nu, terwijl de vraag naar proteïnerijke producten juist fors toeneemt.

Dat slaat met name op vlees: de FAO voorspelt dat de mondiale vleesconsumptie het komende decennium jaarlijks met 1,6 procent zal toenemen. Die groeimarkt is vooral Azië, de toenemende vraag uit China heeft de vleesprijzen enorm doen stijgen.

Identiteitsprobleem

In die veranderende markt verliest Argentinië de aansluiting. Dat het land verdween uit de top-10 van grootste vlees exporterende landen ter wereld – in 2005 was Argentinië met een export van 771.000 ton nog de nummer drie van de wereld, dit jaar staat het land met 190.000 ton op de nummer 11 – betekent dat andere spelers die markt zijn ingedoken. Behalve de kleine landen Uruguay en Paraguay valt vooral India op in de top-10.

India verdubbelde niet alleen zijn export sinds 2010, maar concurreert nu ook met Brazilië om de positie van grootste exporteur van rundvlees ter wereld. Interessant feitje: in India leidt dat tot felle politieke discussies, want in de hindoecultuur worden koeien vereerd en mogen zij niet worden gedood.

Intussen zitten de Argentijnen met een identiteitsprobleem. Met op iedere straathoek in Buenos Aires parilla’s (traditionele vleesrestaurants) en een volk dat de vleescultuur decennia bejubelde in liederen en gedichten, is het nauwelijks voor te stellen dat vlees langzaam wordt verdrongen van de menukaart.

Er gaan stemmen op dat de veranderende eetcultuur een rol speelt. Zo stelde de Argentijnse Vereniging ter Promotie van het Rundvlees (IPCVA) al in 2006 in een rapport dat „de consumptie van rundvlees wordt bedreigd door moderne trends”, zoals „de verheerlijking van alles wat natuurlijk en ecologisch is”.

Maar voor de meeste Argentijnen heeft het niets met een veranderende opvatting over eten te maken. Zij voelen zich in de huidige economische situatie gedwongen tot het eten van minder vlees. „Vroeger at ik dagelijks vlees”, zegt de gepensioneerde Teddy Celis om de hoek van haar favoriete slager in de wijk San Telmo in Buenos Aires. „Nu kan ik het me nog maar eens per week veroorloven.”

Volgens de SRA, de belangenbehartiger van het platteland, ligt het fundament van het probleem bij de politieke keuzes van de regering van Cristina Kirchner. „De regering is de werkelijke vijand van de vleesindustrie”, zegt landelijk voorzitter Luis Miguel Etchevehere. „Met het huidige beleid neemt president Kirchner wraak op het platteland.”

Volle parilla’s

Daarmee verwijst Etchvehere naar de felle strijd tussen de boeren en de regering sinds 2008. Nadat de regering in dat jaar de exportheffingen verhoogde, kwamen de boeren in opstand. Het leidde tot maanden van stakingen en wegblokkades. „Het gevolg was een groot verlies voor de regering-Kirchner tijdens de verkiezingen het jaar daarna”, aldus Etchevehere.

„Op dat moment besloot de president wraak te nemen”, vervolgt de SRA-voorzitter. „Hoe kan het anders dat onze buurlanden Paraguay en Uruguay, die beide twaalf miljoen koeien hebben, méér exporteren dan Argentinië, terwijl hier 51 miljoen koeien rondlopen?”

In Buenos Aires zitten de vele parilla’s ondanks de stijgende vleesprijzen nog dagelijks vol. Dat komt, zegt Marcelino Castro de los Sacramentos, manager van parilla La Cabrera, omdat buitenlanders nog altijd beschikken over dollars – en zo dankzij de gunstige parallelle wisselkoers goedkoop kunnen consumeren in het land. „Gelukkig hoeven we het niet alleen van de Argentijnen te hebben”, zegt hij. „Dan zouden we failliet gaan.”

Op het terrein van koeienhouder Simonetti rijden zijn zoons op paarden richting het vee. Terwijl de schaduwen langer worden door de dalende zon, zegt hij: „Deze crisis gaat over mijn leven, mijn bedrijf is meer dan werk.

Simonetti: „Ooit was Argentinië een van de rijkste landen ter wereld, nu gaat het heel slecht”. Hij plukt aan zijn grijze snor en staart in de verte. „Dit land heeft zoveel mogelijkheden en potentie. Dat we daar niets mee doen, doet pijn.”