Zo woont de Amsterdamse elite

Veel grachtenpanden herbergen schatten waar een museum jaloers op zou zijn. Het publiek ziet ze niet. Gelukkig zijn ze vastgelegd: in een boek en expositie.

Als er begin jaren 90 geen lekkage in de badkamer zou zijn geweest, was er in het grachtenpand van Bob Meijer aan de Herengracht kostbare kunst verborgen gebleven. Het plafond moest gerestaureerd worden en onder een dikke kalklaag bleek een plafondschildering uit 1667 te zitten. Toenmalig stadsarchivaris Isabelle van Eeghen was geschokt. Daar zou het Rijksmuseum jaloers op zijn, had ze gezegd.

De schildering bevindt zich nog steeds in het huis van Meijer (museum Het Kattenkabinet), maar het grote publiek zal het niet snel zien. Zonde, vond fotograaf Arjan Bronkhorst. ’s Avonds liep hij over de grachtengordel naar zijn huis en spiekte af en toe naar binnen bij andere panden. Een glimp van de rijkdom, meer niet.

Daar moest verandering in komen. Vorig jaar publiceerde Bronkhorst het ruim 400 pagina’s tellende boek Grachtenhuizen, waarvoor hij 30 grachtenpanden en hun inwoners fotografeerde. „Stadspaleizen”, noemt hij ze. Mark van den Eerenbeemt en Koos de Wilt tekenden de verhalen van de inwoners op. Deze week opende Bronkhorst in het Amstel Hotel een expositie met foto’s uit het boek.

Het zijn foto’s die de grachtenpanden op hun mooist moeten laten zien. Foto’s van ‘poeyerkabinetten’, waar de pruiken werden opgedaan en gepoederd. Foto’s van kleine deuren, verborgen onder het behang. Foto’s van dan weer zware barokke interieurs en dan weer spierwit marmer. Bronkhorst wilde het „kraken van de vloeren” fotograferen, en de „karakteristieke geur van elk pand”.

„Een liefdevolle selectie”, noemt hij het boek, met de panden en de mensen die hem fascineerden. Hij fotografeerde het huis van burgemeester Van der Laan en bezocht spelletjesmaker Jan Meulendijks en zijn partner Bart Schuil in het door hen tot woonhuis omgevormde Staetshuys. „Het is de Amsterdamse elite die elkaar op vrijdagavond bij de opera ontmoet”, aldus Bronkhorst.

En de elite die ’s avonds naar huis fietst over een grachtengordel die alsmaar verandert. Waar woonhuizen veranderen in kantoren. Waar toeristen op bierfietsen over de grachten denderen. Het hoort erbij, maar doet volgens Bronkhorst niets af aan de grandeur van het gebied. En zodra de deuren van de grote grachtenhuizen dichtslaan, komen de geluiden van de straat er niet meer binnen. „Dan is het alsof het honderd jaar geleden is.”