Wow, ik stam af van slavenhandelaren

Zeven jaar na zijn debuut komt Ricus van de Coevering eindelijk met een nieuwe roman. Die laat zich lezen als een spiegel van het Nederlandse nationalisme van de laatste tien jaar.

Ricus van de Coevering Foto Zie t Zo/Mark van der Zouw en Corne van der Stelt/HH

Ricus van de Coevering (1974) beleefde in 2007 een mooie start met zijn pakkende en originele debuut Sneeuweieren. Het kreeg fijne recensies, is aan de vijfde druk toe en het werd niet lang na publicatie bekroond met de Academica Literatuurprijs. De schrijver, die relatief laat was gedebuteerd, wekte in een interview met deze krant enkele jaren terug, volop aan de gang te zijn. Een opvolger zou snel komen, de titel was er al: Groene fee.

Maar Groene fee kwam niet uit de cocon. Van de Coevering zou er toch niet de brui aan hebben gegeven? Je hoeft niet ver in Noordgeest te raken om je een voorstelling te maken van Van de Coeverings absentie. Dit is zorgvuldig proza dat perfectionisme verraadt. Narratief gezien is het een kunstige puzzel; aan scènes is duidelijk lang gewerkt en de details verraden dat de schrijver zich à la Rosenboom (een duidelijke invloed) flink in het onderzoek heeft gestort om ook de details te laten kloppen. Ook die details zelf zijn verwant aan Rosenboom, want net als in sommige van diens romans speelt de scheepvaart een prominente rol. Scheepsbel, Staatse vloot, havenjutten: ze zijn allemaal in Noordgeest te vinden.

Boeiend aan de roman is dat je gaandeweg vergeet dat hij in de huidige tijd speelt. Willem Noordgeest, de man om wie het drama is gebouwd, leeft in de jaren negentig van de twintigste eeuw, maar zit met z’n kop in zeventiende en achttiende. Hij is geobsedeerd door de kras die er in zijn stamboom is beland . Vader was slechts een ‘zelfslachtende’ slager, terwijl de Noordgeesten ooit heren van stand waren. Zo leest Willem zijn genealogie althans, want dat zijn voorvaderen zich verrijkten met slavenhandel doet hem eerder glimmen van trots dan dat hij zich schaamt.

Ghana

Wie zo’n gegeven in een roman verwerkt wil natuurlijk meer afleveren dan drama. Noordgeest laat zich op de interessantste momenten lezen als een spiegel van het Nederlandse nationalisme van de afgelopen tien, vijftien jaar. Het verhaal speelt vóór het leiderschap van J.P. Balkenende, maar toch valt in de roman de ongemakkelijke term ‘VOC-mentaliteit’. In Ghana, waar Noordgeest na een schipbreuk belandt, last Van de Coevering zijn twee voornaamste romanthema’s aan elkaar. Noordgeest ontmoet er het hoertje Ama en valt als een blok voor haar: de reddingsfantasie van de oude man die een jonge vrouw een betere toekomst wil bieden. In Ama’s hut bekijkt Noordgeest een oude baobab-boom: ‘Hij vroeg zich af wat er zich in duizend jaar onder zo’n boom allemaal had afgespeeld en welke verhalen er verteld waren. Er overkwam hem iets wonderlijks. Terwijl hij tegen de stam zat, scheen er een warmte zijn lijf in te stromen, een geruststellende warmte, door de wortels uit de aarde opgezogen en via de bast aan hem doorgegeven – hij verzonk in een gelukzalige sentimentele roes.’

Dit is natuurlijk exotisme van de bovenste plank, want het enthousiasme van Noordgeest wordt ingegeven door onwetendheid. Nergens in de roman blijkt dat hij zich in de zogenaamd ononderbroken Ghanese geschiedenis heeft verdiept; hij is slechts op zoek geweest naar een moment om zoiets te kunnen te zeggen omdat hij het in zijn eigen verhaal zo node mist.

Tijdloosheid

In Noordgeest lijkt er gekrakeel rond van alles en nog wat te zijn; rond vaders die met hun kinderen overhoop liggen, rond verdwijnende schilderijen, rond lichamelijk verval en rond familie-eer, maar wie goed oplet zal merken dat het bij Van de Coevering allemaal naar tijdloosheid verwijst. Zo’n roman moet wel in een grandioze weemoed eindigen.

Noordgeest is net als Sneeuweieren degelijk vakwerk, al vallen sommige verwikkelingen niet helemaal met elkaar te rijmen. Zo wordt de hoofdpersoon gepresenteerd als een rustige autoriteit op het schip, maar is hij thuis emotioneel wankel en destructief. En ook het slotdeel is minder goed geschreven. Het is hoogdramatisch, draagt een thrillerachtige plot in zich en wijkt daarmee geforceerd af van de kalme controle van de rest van het boek. Desondanks: laat er in het vervolg maar geen zeven jaar meer tussen zitten.