Twee mannen ontsporen in ruig Montana

Pete Snow, hoofdpersoon in Fourth of July Creek, is een maatschappelijk werker in de ruige wildernis van Montana. Hij biedt hulp aan religieuze fanaten, werkloze anarchisten en meth-verslaafden die helemaal geen hulp van de regering willen. Dat de kleuter die hij in het eerste hoofdstuk bij haar verslaafde moeder vandaan haalt aan het einde opnieuw gered moet worden, is dan ook geen verrassing.

Pete’s eigen leven is ook niet bepaald rooskleurig. Vervreemd van zijn vader, zijn overspelige vrouw en zijn verbitterde dochter verschuilt hij zich in een hut zonder water of elektriciteit. Hij doucht bij de rechtbank, en als hij niet werkt zit hij in het café. ‘Ik haal kinderen weg bij mensen zoals wij,’ zegt hij tegen zijn vrouw. Dat beseft hij pas goed nadat zijn eigen dochter, Rachel, van huis is weggelopen.

Pete ontmoet de anarchist Jeremiah Pearl, die samen met zijn zoon Benjamin op de vlucht is voor de FBI. De gespannen relatie die zij ontwikkelen, en die voortdurend dreigt te ontaarden in geweld, vormt de drijfveer van de roman. Intussen gaat Pete op zoek naar zijn dochter. Waarom zij is weggerend en wat ze moet doen om op straat te overleven wordt verteld in dialogen op ongenummerde pagina’s — alsof ze niet alleen uit Pete’s leven, maar uit het boek zelf is verdwenen. Pete realiseert zich dat hij onbewust een dochter heeft gecreëerd van het soort dat hij voor zijn werk probeert te helpen.

Fourth of July Creek bestaat uit halve zinnen, flarden van gedachten, soms in de tegenwoordige tijd en soms in de verleden tijd. Het is verleidelijk deze rauwe, directe aanpak met het werk van Cormac McCarthy te vergelijken, maar Smith Henderson gaat nog een stap verder: hij maakt werkwoorden van zelfstandig naamwoorden, zoals van Wyoming, dat de betekenis van doelloos reizen aanneemt: Pete’s dochter Rachel wyomt door Montana en Washington, op zoek naar een nieuw leven voor zichzelf.

Het boek wyomt zelf ook. Bijna vijfhonderd pagina’s lang onthoudt Henderson de lezer geen enkel detail van het harde leven in Montana, van ‘pas gezelfmoorde vaders en hun brokstukken’ (een typische Henderson-zin) tot een moeder die haar bleke gezicht opmaakt met blauwe oogschaduw en rode lippenstift ‘als een namaaksel van de Amerikaanse vlag, een soort kritiek op haar land, wat ze in zekere zin ook was.’ Wie wordt er vrolijk van zoveel ellende?

Toch lees je door. Want wat het verhaal zo aangrijpend maakt, is hoe het contrast tussen Pete en de mensen die hij probeert te helpen, gaandeweg vervaagt. En dat is de Amerikaanse symboliek die in dit boek schuilt. Waar ligt de grens tussen individuele vrijheid en verantwoordelijkheid voor een ander, tussen het gezin en de maatschappij? En kun je jezelf redden door anderen te redden? Henderson schrijft dat ‘het hele leven gezien kan worden als maatschappelijk werk.’ De taak van de lezer is niet anderen te veroordelen, maar medeleven te tonen.