Teruggestuurde asielzoeker faalt vaak in eigen land

Antropoloog

„Ook terugkeer mislukt vaak”.

In Nederland afgewezen asielzoekers dragen bij terugkeer niet bij aan de ontwikkeling en de vredesopbouw in hun land van herkomst. Door hun mislukte migratie zijn ze financieel en sociaal niet in staat hun nek uit te steken.

Dat concludeert cultureel antropoloog Marieke van Houte in haar proefschrift Moving back or moving forward? Return migration after conflict, waarop ze gisteren promoveerde aan de Universiteit Maastricht.

Volgens haar hebben de asielzoekers die onvrijwillig terugkeren door hun verblijf buitenslands achterstand opgelopen. „Ze hebben geen huis meer, hebben hun geld besteed aan de vlucht en hebben zich soms jarenlang, wachtend op een beslissing over hun status, niet verder ontwikkeld.

„Nederlandse steun, in geld of met spullen om bijvoorbeeld een zaakje op te bouwen, helpt hen. Maar het is een illusie om te denken dat zij iets kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van hun land. En ze hebben niet de mogelijkheid om nog eens naar Nederland terug te keren.”

Van Houte sprak voor haar onderzoek met 178 teruggekeerde asielzoekers in Armenië, Bosnië-Herzegovina, Sierra Leone, Togo, Vietnam en Afghanistan. In het laatstgenoemde land waren haar interviews met de migranten diepgaander en vergeleek ze de situatie van onvrijwillige met die van vrijwillige terugkeerders. „Mensen die in Nederland een verblijfstatus kregen, hebben daar kunnen werken en studeren. Vaak hoorden ze bij de eersten die vertrokken, omdat ze uit hogere economische klassen komen. Mocht de situatie in hun land verslechteren, dan kunnen ze ook nu weer naar Nederland. Dat helpt bij het voorop durven lopen in een wankele samenleving in wederopbouw.”

Het idee om uitgewezen asielzoekers enige steun te geven bij hun terugkeer, omdat ze in hun land van herkomst een bijdrage kunnen leveren aan herstel van de economie en de stabiliteit, won de laatste 25 jaar aan populariteit. „Daarvoor had vluchtelingenopvang iets ideologisch. De vijanden van jouw vijanden werden als vrienden opgevangen. Met het einde van de Koude Oorlog veranderde dat en door het toenemend aantal regionale conflicten steeg het aantal asielzoekers ook sterk. Het toelatingsbeleid werd restrictiever. Tegelijkertijd wezen de Nederlandse en ook andere Europese regeringen er op dat terugkeer van vluchtelingen ook goed kon zijn voor hun herkomstlanden. Ik wil de oprechte bedoelingen niet onderuit schoffelen, maar bij die redenering zat natuurlijk eigenbelang.”

Van Houte vindt op grond van haar bevindingen dat het geld voor terugkeerassistentie niet langer uit het budget van Ontwikkelingssamenwerking zou moeten komen. „Financiering vanuit het ministerie van Veiligheid en Justitie of dat van Binnenlandse Zaken is logischer. Voor het meegeven van wat geld aan afgewezen asielzoekers blijft wat te zeggen. Het haalt ze niet uit hun achterstandssituatie, maar het geeft ze nog iets van een waardige terugkeer.”

Niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) moeten zich bezinnen, vindt Van Houte. „Om in aanmerking te komen voor overheidsbudgetten voor terugkeerassistentie, doen ze beloftes van een positieve bijdrage aan vrijwillige terugkeer. Komt dat overeen met de rol die ngo’s voor zichzelf zien? De bijdrage aan ontwikkeling is kwestieus, terwijl hun programma’s wel terugkeerbeleid legitimeren. Ze zijn mede-uitvoerder geworden.”