Stromae is sympathiek maar simpel

Net terug van een Amerikaanse tournee stond Stromae gisteravond in de Ziggo Dome. foto andreas terlaak

Het kan niet op met het succes van Stromae, de Belgische zanger die vier jaar na de zomerhit Alors on danse de status van eendagsvlieg ruimschoots is ontgroeid. Perez Hilton noemde hem ‘The pride of Belgium’ en sinds Ça plane pour moi van Plastic Bertrand (1978) was er geen Franstalige Belg die zich internationaal zo in de kijker speelde. Net terug van een Amerikaanse tournee waar hij als ‘Euro-pop sensation’ werd onthaald, staat Paul van Haver (zijn echte naam) tweemaal in een uitverkochte Ziggo Dome.

Zijn aantrekkingskracht laat zich niet moeilijk ontleden. Stromae is een sympathieke showman die danst en zingt als een Las Vegas-professional en die zijn liedjes vanwege een verleden als hiphop- en danceproducer een stevige beat mee weet te geven. Het is gelijk de zwakte van zijn muziek, want Stromaes zompige housebeats hebben diepe wortels in de jaren negentig en komen op den duur wat oubollig over. Een avondje Stromae voert je mee naar de sfeer van Franse dorpskermissen en zwoele avonden aan de Belgische kust. Zo nu en dan steekt er een warme Afrikaanse bries op in de ritmiek, dankzij Van Havers achtergrond als zoon van een Belgische moeder en een Rwandese vader.

De schaalvergroting van zijn shows kan hij goed aan. Stromae brengt de songs van zijn succesalbum Racine Carrée in een boeiend lichtdecor met fraai schaduwspel en knappe synchrone dans met de animaties op het scherm. Een gouden vondst in zalen van dit formaat is het hoge langwerpige scherm waarop dansjes en zelfs gezichtsuitdrukkingen voor de achterste rijen zichtbaar worden. Met de vaak alleen als silhouetten zichtbare muzikanten voerde Stromae een pantomime op, als de soepel dansende frontman met koddige bolhoedmannetjes die oogden als de detectives Jansen en Janssen uit Kuifje.

Zijn reputatie als een nieuwe Jacques Brel kwam in deze opzet minder goed uit de verf. Stromaes teksten blinken uit door simplisme, met het „Evora Evora” uit zijn ode aan de Kaapverdiaanse zangeres Césaria Evora als effectieve meezinger. Het enige moment waarop hij zich werkelijk druk maakte om de inhoud was toen hij het nummer Moules frites inleidde met een pleidooi om ‘French fries’ in het vervolg ‘Belgian fries’ te noemen, want de patatjes komen toch zeker uit België? Zijn onbeholpen praatje vertraagde een show die juist werd gekenmerkt door professionaliteit en een soepele opeenvolging van liedjes.

Alors on danse werd een bescheiden afknapper, want zo’n wereldhit had echt wel wat langer opgerekt mogen worden dan de drie minuten waarin het werd weggemoffeld. Veel sterker was het instrumentale Merci met beelden van futuristische ruimtelandschappen en een a capella gezongen finale, waarbij de lompe dansbeat van de rest van de avond uit de herinnering werd verbannen. Het is duidelijk waarom Stromae zo groot is geworden, want zijn muziek en uitstraling zijn leuk voor een breed publiek. Maar een volgende fase in zijn succesverhaal vraagt om wat meer muzikale verdieping.