Onze eerste literaire sterschrijver

Een ster naar Amerikaans voorbeeld, die zichzelf verkoopt en openbare optredens ziet als onderdeel van zijn werk. Neerlandicus Edwin Praat maakte een vermakelijke studie over de ‘Volksschrijver’.

Gerard Reve in de Grote Gerard Reve Show, 1974 Foto Beeld en Geluid

Nog altijd uniek in de wereld: De Grote Gerard Reve Show. Op 17 mei 1974 presenteert de schrijver op televisie een shiny floor show over zichzelf, waarin hij de vloer aanveegt met alle smaakwetten van de schone letteren. De opkomst: Reve stapt uit het voorhoofd van een groot Revebeeld. Hij wordt, volgens neerlandicus Edwin Praat, als een god uit zichzelf geboren. Dan daalt hij de trap af en zegt: ‘Zie ik het goed, is het echt waar?/ Verrek, het is geen kunstenaar/ Het is een mens, echt uit het leven/ Het is onze eigen Gerard Reve!’

Wat volgt is, in een wervelende show met zang en dans, een groteske potpourri van al zijn thema’s – halfblote jongens geselen de schrijver, Reve schrijft, omringd door drankflessen, met zijn kroontjespen ‘Leve het Kapitalisme!’ en praat met God als ezel. Zoals neerlandicus Edwin Praat in Verrek, het is geen kunstenaar schrijft: ‘Een grote herhaling van zetten, een lappendeken van Reviana. Een drie kwartier durende viering van zijn publieke imago.’

Praat promoveerde in 2011 op het proefschrift Verrek, het is geen kunstenaar: Gerard Reve en het schrijverschap. Nu verschijnt de volkseditie. Praat beschrijft hoe Gerard Reve (1923-2006) ook buiten zijn boeken aan zijn imago bouwde, daarmee doorlopend verwarring zaaiend over wie de echte Reve was, en tornend aan de wetten van de literaire wereld. De verschijningen van Reve binnen en buiten zijn boeken vormen volgens Praat één kunstwerk.

Helaas heeft Praat zijn theorieën niet ‘voor arbeiders verklaard’. Die moeten zich nu eerst door het theoretisch kader heen worstelen, waarin de Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu een glansrol speelt, niet bepaald Gods helderste schrijver. Dus lezen we over ‘de (reguliere en hyper-) parabasis en de implementatie van (fictionele of non-fictionele) binnenkaders’ en duurt het 55 bladzijden voordat Reve zelf verschijnt. Omslachtige redeneringen in lelijk letterkundig lingo ontsieren ook de rest van het boek.

Goede smaak

Volgens Bourdieu is de kunstwereld sinds de 19de eeuw los komen te staan van de gewone wereld. Het is een autonome geloofsgemeenschap, die neerkijkt op geld en wereldlijke macht, en die zijn eigen waardesysteem van goede smaak en kunstkennis hanteert. Daarmee samen hangt het geloof in de charismatische, geniale bohémien. De kunstenaar moet als anti-burger lijden en aan de zelfkant leven, hij moet spugen op de bourgeoisie, en hij moet oprecht en authentiek zijn.

Reve is de ketter in deze geloofsgemeenschap. In zijn boeken voert hij zichzelf op, en in het openbare leven maakt hij van zichzelf een personage. Bovendien zegt hij er steeds bij dát hij dat doet. Bij zijn tv-show in de Allerheiligste Hart Kerk in 1969, ter ere van zijn bekroning met de P.C. Hooft-prijs, zegt hij: ‘Ja, ik bén een acteur, ik bén een komediant, een charlatan en een clown. Maar de rol die ik speel, dat bén ik.’ Volgens Praat moet je Reve plaatsen in de traditie van de romantische ironie, waarin de verteller een, soms subtiel, kleine afstand neemt van zijn literaire zelf. Reve doet dat ook buiten zijn boeken.

Reves verschillende manieren om te spelen met de artistieke regels, komen samen in zijn avonturen met beeldend kunstenaar Frans Pannekoek. Met hem maakt Reve het boek Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard door Gerard Kornelis van het Reve (1967). Dit leidt tot een opmerkelijke publiciteitstunt. Geholpen door een tv-optreden in Mies en Scène van Mies Bouwman, organiseert hij een succesrijke veiling en expositie van het werk van Pannekoek. Daarbij wordt diens bohémienbestaan breed uitgemeten. Bij dit alles is Pannekoek afwezig. Die zit in Spanje en houdt zich gedeisd. Al snel denkt de pers dat Pannekoek een mystificatie is van Reve. Die is niet te beroerd om dat desgevraagd te erkennen, tot een journalist ontdekt dat Pannekoek wél bestaat. Reve kneedt Pannekoek tot personage, die hij ook buiten zijn boeken inzet. Zo laat hij doorlopend de fictieve wereld overlopen in de werkelijke.

Hij gebruikt Pannekoek ook om de tegenstelling bohémien-burger aan te zetten. In het brievenboek Brieven aan Frans P. 1965-1969 zie je het verloop van de vriendschap. Reve gaat zich steeds meer ergeren aan het onaangepaste gedrag van Pannekoek en breekt met de kunstenaar. Reve past zelf in de mythe van de bohème – hij meet zijn drankzucht, seksuele honger en lijdensweg breed uit – maar hij keert zich er ook van af. Hij noemt zich de burger-schrijver, verkondigt dat hij voor geld schrijft, dat hij ‘een winkel’ heeft. Hij verwijt Pannekoek vooral dat die niet rijk en beroemd wil worden, zoals hij.

Reve, zo concludeert Praat, is geen bohémien-schrijver naar Frans-Duitse snit, maar een sterschrijver naar Amerikaans voorbeeld, iemand die zichzelf verkoopt als een filmster, zorgvuldig aan zijn imago werkt en zijn openbare optredens beschouwt als onderdeel van zijn werk.

Verwarring zaaien

Het verwarring zaaien werkt het beste in de jaren zestig, omdat Reve dan nog geldt als authentieke, oprechte schrijver. In de jaren zeventig wordt het moeilijker. Reve stelt zich zo duidelijk op als ongrijpbare clown, dat er vermoeidheid optreedt bij de critici. Nadat hij zijn provocerende uitspraken uitvergroot en parodieert in De Grote Gerard Reve Show, ebt het effect weg.

Slechts met racisme kan hij ze nog op de kast krijgen. Zo leest hij op de Nacht van de Poëzie 1975 te Kortrijk zijn gedicht Voor Eigen Erf, dat eindigt met een aanzet tot discriminatie à la Wilders: ‘Gooi al dat zwarte tuig eruit:/ Ons land voor ons!/ Op, naar de Blanke Macht!’ De ophef hierover is zo groot, dat Reve licht moet buigen. Hij is niet racistisch, legt hij uit, maar hij is tegen de Nederlandse immigratiepolitiek. Elders verkondigt hij echter dat zwarten dommer zijn dan blanken. Door zijn eigen goochelen met imago en oprechtheid is hij in een vreemde situatie geraakt: niemand neemt hem meer serieus, tenzij hij racistische grappen maakt.

De laatste woorden van De Grote Gerard Show zijn voor de Engel, die zich afvraagt: ‘Die Gerard Reve, belazert die de boel nou, of niet?’ De ware gelovige kan de echte Reve van de schijngestaltes onderscheiden. De rest kiest gewoon de Reve die hem het meeste aanstaat.