Nog één dode baby en ik hou ermee op

Gevoelens delen, is onder artsen taboe. Hoeveel leed je op je werk ook meemaakt, je dealt er maar mee. Uit onderzoek blijkt toch behoefte aan opvang.

Het handje van een te vroeg geboren baby die in de couveuse ligt. Sommige gynaecologen vinden begeleiding van een te vroege bevalling traumatisch. Hollandse Hoogte

Van alle afdelingen in een ziekenhuis lijkt de afdeling gynaecologie en verloskunde nog wel de vrolijkste. Je denkt al snel aan zoete baby’tjes, nieuw leven, vertederde familieleden met bossen bloemen.

Maar dat is natuurlijk schijn.

Een gynaecoloog wordt erbij geroepen als er iets misgaat met de zwangerschap. Doodgeboren kindjes. Bevallingen met complicaties, zoals te veel bloedverlies. En die familieleden kunnen van bezorgdheid en stress behoorlijk opgefokt reageren.

Gynaecoloog Mariëlle van Pampus van het OLVG-ziekenhuis in Amsterdam: „Voor 9 procent van de moeders is de bevalling traumatisch. 1,3 procent van de moeders houdt er zelfs een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) aan over. We dachten: wat doet zo’n bevalling eigenlijk met de gynaecoloog?”

Deze week verscheen het resultaat van een onderzoek, uitgevoerd onder haar leiding, naar stress en trauma’s onder gynaecologen. Wat bleek? Ruim één op de tien gynaecologen had minstens één gebeurtenis tijdens het werk meegemaakt die ze als traumatisch hebben ervaren, zoals het overlijden van een baby. Bij 1,5 procent van de gynaecologen was meer aan de hand: die leken verschijnselen te hebben die wijzen op een posttraumatische stress-stoornis. Slapeloosheid bijvoorbeeld, of het herbeleven van de gebeurtenis. Een paar citaten uit het onderzoek: „Nog één dode baby en ik kap ermee”, of „Ik zag de laatste samentrekkingen van het foetale hart onder de echo. Nu ik erover schrijf lopen weer de rillingen over mijn rug”. En de meerderheid zou graag meer aandacht willen voor nazorg, zoals napraten. Een citaat: „Na gebeurtenissen overheerst vaak als eerste de schuldvraag, er is weinig ruimte voor verwerken.”

Tot nu toe is er weinig aandacht voor trauma en psychologische klachten onder artsen en ziekenhuispersoneel. Van Pampus: „Onderzoek dat tot nu toe wordt gedaan, richt zich meestal op een burn-out.” Maar artsen ervaren meer dan alleen werkstress, zegt ze. „We werken in een omgeving met veel verdriet en trauma, en moeten er zelf maar een beetje mee proberen te dealen.”

Ook gynaecoloog in opleiding Claire Stramrood ervaart dat: „Natuurlijk, we hebben er zelf voor gekozen en moeten ertegen kunnen, maar aan de andere kant zou het goed zijn als er iets voor wordt georganiseerd, dat we er niet zelf initiatief voor hoeven te nemen. Als er een baby is overleden, is er wel even begrip van collega’s, maar dat is eventjes. Na een week is dat weer over. Maar het is niet altijd over voor diegene die de baby heeft geprobeerd te redden.”

Betere nazorg

Bij andere beroepen die met leven en dood te maken hebben, zoals politieagenten, brandweermannen en ambulancemedewerkers, is de nazorg beter geregeld. Zo heeft ziekenhuis het AMC zelfs een speciale politiepoli, die politieagenten met PTSS behandelt.

Voor artsen onder elkaar is dat nog taboe. Hoogleraar psychotrauma Miranda Olff van de afdeling psychiatrie van het AMC doet onderzoek naar psychologische en biologische reacties op traumatische stress. Zij zou graag zien dat er meer aandacht voor posttraumatische stress onder artsen komt. „Het is moeilijk om binnen de beroepsgroep erkenning te krijgen voor zulke zaken.”

Uit een promotieonderzoek van Universiteit Leiden bleek dat verpleegkundigen op de spoedeisende hulp onder andere kampen met angst, depressie, psychosomatische klachten en posttraumatische-stressreacties. Bijna 10 procent heeft daar zo veel last van dat het hun dagelijks functioneren belemmert. En vorig jaar doorbrak longarts Mariska Koster (51) een taboe met een artikel in vakblad Medisch Contact over hoe belastend het vak van arts kan zijn, en dat dokters met hun emoties nergens heen kunnen. Zij is met haar werk gestopt. „Ik heb ontzettend veel reacties van andere artsen gekregen. Sommige mensen zeiden dat ze in snikken uitbarstten tijdens het lezen, van herkenning.”

In de periode dat Koster als longarts werkte, overleed 70 procent van haar patiënten met longkanker binnen het jaar aan hun ziekte. Koster: „We hebben als artsen onderling wel wekelijks overleg, maar dat gaat over de technische kant van geneeskunde. Dat gaat niet over het feit dat ik het verschrikkelijk vond om zeven keer op een dag te moeten zeggen dat iemand doodgaat. Die zachte kant, daar is geen plaats voor. En niemand vindt dat raar, het is just the way things are.”

Het is niet moeilijk te bedenken waarom een beroep als arts zwaar is. Maak je een fout, dan kan de patiënt beschadigd raken of – in het uiterste geval – overlijden. Het zou gek zijn als je daar niet over piekert. Uit het onderzoek onder de gynaecologen bleek dat 65 procent het risico een aandoening over het hoofd te zien „emotioneel belastend” vond. Net als twijfel over de juiste beslissing nemen (45 procent), en de kritieke momenten van een patiënt in levensgevaar meemaken (43 procent).

Een beslissing als arts is ook niet zonder gevolgen voor de arts zélf. Als je als zorgverlener niet goed hebt gehandeld, kan de patiënt of familieleden naar het tuchtcollege stappen met een klacht. Dat beoordeelt de situatie en kan in een uiterst geval de zorgverlener zijn titel afpakken, zodat hij het beroep niet meer mag uitoefenen. Van de gepensioneerde gynaecologen uit het onderzoek zegt 41 procent dat er weleens een klacht is ingediend. Hoogleraar Olff: „Onderschat zo’n klacht niet, ook dát is een enorm heftige gebeurtenis. Je hebt de hele rompslomp van het tuchtcollege én de psychische belasting van de gebeurtenis erbij.”

Iedereen doet maar wat

Het grootste probleem ligt niet in het feit dat artsen trauma’s meemaken, maar in het ontbreken van goede opvang en een openlijke discussie over psychologische effecten op artsen, vindt onderzoeksleider Van Pampus: „Uit ons onderzoek bleek dat meer dan de helft van de artsen graag een beter protocol wil hebben na belastende gebeurtenissen. De meesten hebben nergens specifiek geleerd om te gaan met zulke situaties, dus iedereen doet maar wat.”

Je maakt iets ergs mee, en moet daarna gelijk door naar de volgende patiënt. „Het ligt maar net aan wat voor persoonlijkheid je zelf hebt, of je er makkelijk over praat. Het zou ons artsen allemaal ten goede komen als er wél goed voor gezorgd zou worden”, volgens Van Pampus.

Toegegeven, artsen zijn niet de makkelijkste mensen. Hoewel in het onderzoek 82 procent zegt te willen praten met een directe collega, en 30 procent met een psycholoog of coach, staan artsen er ook wel om bekend dat ze graag ‘hun eigen plan trekken’, volgens Van Pampus.

Voormalig longarts Koster herkent dat: „Artsen hebben vaak bepaalde kenmerken: heel consciëntieus, streberig, ze willen het goede doen, zijn perfectionistisch en hebben moeite om hun eigen grenzen te bewaken. Aan de ene kant is dat mooi – het maakt je een goede arts – aan de andere kant vind je het dan moeilijk om hulp te zoeken als je het zwaar hebt.” Collega’s zijn ook bang om elkaar aan te spreken. „Als je ziet dat een collega-arts zichzelf medicijnen voorschrijft, dan denk je al snel: hij zal het wel weten, ik hoef me daar niet mee te bemoeien.”

Flashback

Mits op tijd gesignaleerd, is posttraumatische stress goed te behandelen, door gesprekken met psychologen of psychiaters. Artsen die wel gewoon blijven rondlopen met klachten of het gevoel hebben geen erkenning te krijgen voor hun trauma’s, kunnen arbeidsongeschikt worden. Koster, inmiddels medisch adviseur bij verzekeraar Achmea: „Een burn-out is een enorme kostenpost voor het ziekenhuis. Ongeveer 40 procent van de artsen lijdt aan verschijnselen van een burn-out. Dat is vier keer zoveel als bij de normale beroepsbevolking.”

En een arts met PTSS, dat is ook voor de patiënt niet goed. Olff: „Stel dat je dan in een situatie belandt waar het de vorige keer misging, zoals bij een moeilijke bevalling. Als je op zo’n moment een flashback krijgt. kun je je voorstellen dat het je functioneren beïnvloedt.”