Napoleon was de Verlichting te paard

Was de Franse keizer een glorieverslaafde die tot grote daden inspireerde? Is hij medeschuldig aan de opkomst van Hitler? Twee biografieën zetten de discussie over het Corsicaanse fenomeen voort.

1779-1784 Zit op de militaire school vanBrienne, daarna op de École Royale Militaire in Parijs.

Drie miljoen doden. Dat was de rekening in mensenlevens toen op 18 juni 1815 bij Waterloo de kanonnen zwegen. Europa was een kwart eeuw in oorlog geweest. Nu kon de balans worden opgemaakt, in dieprode inkt. Vanaf de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 had Frankrijk bijna onophoudelijk gevochten met de rest van het continent. Het land kon niet meer. De wil van het volk was gebroken – en de macht van zijn heerser ook.

Het laatste schot was nog niet gelost of de discussie barstte los over de vraag of de verslagen keizer nu een held of een schurk was. In 1944 maakte de Nederlandse historicus Pieter Geyl de balans op van dit twistgesprek in Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving. Hij gaf in dit boek ook een eigen oordeel over de kleine korporaal. Geyl, die in de oorlog in Buchenwald gevangen had gezeten, signaleerde opvallende parallellen tussen Napoleon en Adolf Hitler, hoewel hij schreef de neiging te hebben ‘de schim van Napoleon om vergiffenis te vragen dat men het waagt hem met die ander in een adem te noemen’.

De Nederlander was lang niet de enige die in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog Napoleon als een soort proto-Hitler zag. Toch is de Franse keizer nooit een ‘gewone’ schurk geworden. Want anno 2014 is Napoleon niet alleen te vinden in het verdomhoekje van de geschiedenis, maar ook op plekken waar je Stalin en Hitler in beschaafde kringen nooit tegenkomt: computerspelletjes, bierpullen, theedoeken, salmiakballen en cognac. Napoleon is kennelijk ook ‘leuk’.

En dan zijn er natuurlijk nog de talloze boeken. Over geen enkele historische figuur is zoveel geschreven als over Napoleon Bonaparte. Aan die oneindige stapel biografieën zijn er de afgelopen maand weer twee toegevoegd. Andrew Roberts, een van de bekendste historici van Groot-Brittannië, publiceerde Napoleon the Great; en de Vlaming Bart van Loo, auteur en conferencier, schreef Napoleon. De schaduw van de Revolutie. Twee moedige mannen, want wie nog wat zinnigs wil toevoegen aan het corpus Napoleonliteratuur moet van goede huize komen.

Roberts is het meest ambitieus. Hij begint zijn boek met een beschouwing over het werk van Pieter Geyl en maakt meteen duidelijk dat hij heel anders tegen Napoleon aankijkt dan zijn Nederlandse collega dat zeventig jaar geleden deed. De titel van zijn biografie zegt het al: hij vindt Napoleon een groot man, een van de indrukwekkendste genieën uit de geschiedenis van de mensheid. Die stelling tracht hij 900 pagina’s lang met een brede waaier van feiten en meningen te onderbouwen.

Huisfrancofiel

Van Loo heeft een kritischer boek geschreven, soms op het vileine af – een hoofdstuktitel als ‘Propagandist tot in de kist’ is veelzeggend. Hij heeft ervoor gekozen de opkomst en ondergang van Napoleon te beschrijven als een product van de Franse Revolutie. Hij doet dat in dezelfde wervelende stijl die hij tentoonspreidt als huisfrancofiel van de De Wereld Draait Door. Met rake zinnen weet hij mensen en situaties in één keer neer te zetten. Alle belangrijke figuren die naast Napoleon het toneel betreden, en vooral zijn ministers Talleyrand en Fouché, komen op de pagina’s van Van Loo tot leven. De lezer heeft een eersterangs plaats rond de slangenkuil van het Parijs in de jaren na de revolutie.

Minder trefzeker is Van Loo als hij zich in de richting van het slagveld begeeft. Zo schrijft hij verschillende keren dat het revolutionaire leger op 20 september 1792 bij Valmy de Oostenrijkers versloeg, terwijl de Fransen daar een voornamelijk Pruisisch leger tot staan brachten. En over de slag bij Marengo (14 juni 1800) beweert hij dat Napoleon met een van zijn generaals communiceerde per telegram (die bestonden toen nog niet) en dat de Franse cavalerie een charge uitvoerde met ‘hun bajonet horizontaal voor zich uit’ (dat waren sabels; bajonetten zijn infanteriewapens).

Zijn zulke foutjes erg? Aan het betoog van Van Loo doen ze natuurlijk niets af, maar storend is het wel. Problematischer wordt het als onjuistheden onderdeel worden van het punt dat de auteur wil maken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de beschrijving van een veldslag die vooral door de inbreng van Louis-Nicolas Davout, een van Napoleons maarschalken, werd gewonnen. Van Loo: ‘De dubbelslag Jena-Auerstedt op 14 oktober 1806 was meer een triomf van Davout dan van de keizer zelf, al stak die uiteraard alle pluimen op zijn eigen hoed.’

Dat is niet juist. In het na de slag verschenen Bulletin de la Grande Armée – de berichten waarmee Napoleon de wereld op de hoogte stelde van de verrichtingen van zijn leger – schreef de keizer: ‘Deze maarschalk toonde opvallende dapperheid en een standvastig karakter, de belangrijkste kwaliteiten van een krijger.’ En later benoemde hij Davout ook nog eens tot hertog van Auerstedt. Kortom, hij ging er zeker niet met alle pluimen vandoor.

Hier lijkt Van Loo, die in de inleiding nog wel had beloofd niet ‘met het mes tussen de tanden’ te zullen schrijven, zich niet los te kunnen maken van zijn gekozen frame: dat van Napoleon als glorieverslaafde, die zijn ondergeschikten het licht in de ogen niet gunde. Dat was hij natuurlijk óók, maar daarnaast was hij een aanvoerder die met een goed gekozen compliment zijn mannen tot grootse daden inspireerde.

Het boek schiet ook op een ander, belangrijker punt tekort. En dat is de analyse van de verhouding tussen Napoleon en de Franse Revolutie. Van Loo beschijft de wisselwerking tussen man en tijdvak voornamelijk vanuit het perspectief van Napoleon. Wat was de situatie die de Corsicaan aantrof, en wat deed hij ermee? Terwijl het interessanter zou zijn om te bezien hoe de revolutie uiteindelijk een keizerrijk baarde. Welke krachten werden er met deze omwenteling ontketend, en leidden die onherroepelijk tot de alleenheerschappij van een militair? Op dit soort vragen biedt Van Loo geen bevredigend antwoord.

Bloed

Andrew Roberts heeft zichzelf een nog moeilijker opdracht gegeven. Hoe toon je aan dat een man die volgens velen het bloed van miljoenen aan zijn handen heeft een ‘groot mens’ is? (Van Loo stelt onomwonden: ‘Napoleon is goed voor minstens 3,25 miljoen doden.’) Dat doe je ten eerste door het bloed van zijn handen af te halen, en het bij iemand anders op de uniformjas te smeren. Roberts schrijft terecht dat Frankrijk al in oorlog was toen Napoleon ten tonele verscheen. Die oorlogen waren ontketend door de buren van de republiek, die de status quo in Europa trachtten te herstellen. En in de jaren van zijn heerschappij verklaarden andere landen Napoleon vaker de oorlog, dan hij die andere landen.

Als er gevochten moest worden, stond er geen maat op de Corsicaan. Roberts’ boek is vooral een lofzang op Napoleon de veldheer. De auteur bezocht 53 van de 60 slagvelden waarop Napoleon zijn kunsten vertoonde en hij beschrijft die gevechten met veel details en levendigheid.

Roberts toont zich zeer vergevingsgezind op de momenten dat Napoleon mistast. Over de fatale veldtocht naar Rusland in 1812 schrijft hij dat de keizer verwachtte de strijd binnen een maand met één grote veldslag te kunnen beslissen. Hoe kon hij nu weten dat de Russen zich alsmaar verder zouden terugtrekken en hem die slag zouden ontzeggen? Dat kon hij weten omdat de Zweedse koning Karel XII in 1709 hetzelfde was overkomen (Napoleon kende diens biografie) en omdat zijn ambassadeur in Sint-Petersburg hem ervoor had gewaarschuwd. Toch zette hij de aanval door: formeel om Rusland te dwingen deel te nemen aan het Continentaal Stelsel waarmee hij het Verenigd Koninkrijk op de knieën wilde dwingen, maar toch vooral omdat hij op zoek was naar glorie. Roberts komt hier niet voldoende los van zijn gekozen gezichtspunt.

Napoleons achtergrond als militair was volgens Roberts bepalend voor de manier waarop hij Frankrijk inrichtte en bestuurde, zonder dat hij zich daarbij als een lompe houwdegen gedroeg. Hij schreef wetten die het beste van de revolutie codificeerden en was dol op kunst en wetenschap. Napoleon was, aldus Roberts, ‘de Verlichting te paard’: een man die ook nog eens een fabelachtig geheugen en dito werklust had. Iemand die op zoveel terreinen uitblinkt, die mag je gerust het etiket ‘de Grote’ opplakken, concludeert Roberts.

Hij vraagt zich zelfs af of Europa in de negentiende eeuw niet beter af was geweest onder de dominantie van een verlicht Frankrijk, dan onder de laars van het door Pruisen gedomineerde Duitsland. Dat lijkt zo’n gekke suggestie nog niet, totdat je je realiseert dat het Duits nationalisme juist ontwaakte tijdens de Befreiungskriege van 1813-1815. Je zou zelfs kunnen stellen dat Duitsland één werd onder Pruisische leiding omdat het zich wilde kunnen verweren tegen het wapengekletter der Bonapartes (Napoleon en zijn neef Napoleon III). Zo bezien is Napoleon zelfs medeschuldig aan de uiteindelijke opkomst van Hitler.

Dat gaat wellicht wat ver, maar het geeft wel aan dat Roberts er met zijn boek in slaagt de lezer aan het denken te zetten. Ook als je het niet eens bent met zijn analyse van de grootsheid van Napoleon, sla je zijn biografie, waarvoor hij een ongelooflijk aantal bronnen heeft geraadpleegd, uiteindelijk tevreden dicht. Meer dan Van Loo daagt Roberts de lezer uit zélf iets van Napoleon te vinden.

Is met dit boek dan het laatste woord over de keizer gezegd? Natuurlijk niet. Daarvoor spreekt Napoleone di Buonaparte uit het Corsicaanse Ajaccio te veel tot de verbeelding. Er zullen altijd schrijvers zijn die hun eigen licht over hem willen laten schijnen. En daarom eindigt dit artikel met dezelfde zin als waarmee Pieter Geyl in 1944 zijn studie besloot: de discussie gaat voort.