Mevrouw Olie moest het licht vangen

Dankzij de steun van een mecenas worden minder bekende facetten van de fotocollectie van het Rijksmuseum in boekvorm ontsloten. Elk deeltje maakt nieuwsgierig naar andere fotoarchiefladen.

Christiaan Snouck Hurgronje: Huis in Jeddah, 1884 Uit besproken boekje over Snouck Hurgronje

Bij een natuurliefhebber als Jac. P. Thijsse denkt menigeen meteen aan fabrikant Verkade, maar lees je de naam Richard Tepe dan denk je ‘wie?’.

Tepe (1864-1952) was net zo verzot op flora en fauna en net zo’n fervent natuurbeschermer. Hij werkte als vogelvoyeur, een jager met een camera, die rondsloop bij het Naardermeer en elders. Zo’n 8.600 glasnegatieven liet hij na. Hij schreef ook, werkte met Verkade samen en publiceerde zijn volle vogelnesten, kraaien en lepelaars in tijdschriften en boeken. Foto’s in koffie- en theetinten, zoekplaatjes soms, maar met bezetenheid gemaakt.

In het fotoarchief van het Rijksmuseum – 150.000 stuks – schuilt werk van Tepe. Het is uitgelicht in een van de boekjes in een serie over die omvangrijke collectie. De deeltjes zijn telkens gewijd aan één fotograaf, een fotoreeks of een ander thema: van een laat 19de-eeuws album met ornamentstudies tot en met het erotisch universum van Sanne Sannes (1937-1967) .

De serie, al jaren financieel geruggesteund door fotoverzamelaar Manfred Heiting en zijn vrouw, staat haaks op de nu lopende, vorstelijke fototentoonstelling Modern Times in het Rijks (t/m 11/1/2015). Daar struin je langs vooral iconische opnamen om steeds een ‘oh’ of een ‘aha’ te slaken. De klassiek vormgegeven boekjes maken je wijzer dankzij een compacte historische context. Wisselende binnen- en buitenlandse deskundigen zoeken het wie, wat, waar, waarom en wanneer tot op op bodem uit.

Neem bijvoorbeeld het deeltje over Jacob Olie jr., zoon van de bekende, 19de-eeuwse fotograaf die Amsterdam en omstreken verkende. Van chemicus Olie junior (1879-1955) zijn 262 autochromen bekend, dia’s op glas in pasteltinten, genomen in zijn weelderige huis in Utrecht. Fotograferen was nog een feestje. Eerst moesten meubels worden versleept, er verschenen veldboeketten op tafel en mevrouw Olie werd naar het raam gedirigeerd om licht te vangen. En dan kom je ook veel te weten over zijn huis, de binnenhuistrends van die tijd, Olies tijdgenoten en ‘autochroom-collega’s’.

Avontuurlijker zijn de boekjes over dominee Louis Heldring (1852-1923), en arabist en islamoloog Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936). Beiden trokken eind 19de eeuw naar het Midden-Oosten. Heldring reisde in groepsverband langs bijbellocaties, en verder. Hij bundelde zijn impressies van Jeruzalem, Nazareth, Damascus en Kaïro in een oplage van drie fotoboeken voor zijn drie kinderen, opdat zij God, hun vader en het Heilige Land niet uit het oog verloren, blijkbaar.

Snouck Hurgronje had een spannender invalshoek en fotografeerde beter. Als eerste westerse fotograaf wilde hij de hadj in Mekka vastleggen. Reden dus om zich te bekeren en zichzelf te besnijden, zodat hij bij een wasbeurt of visitatie ter plekke niet als ‘kafir’ ontmaskerd zou worden.

Eerst verkende hij Jeddah en maakte er groepsportretten van armoedige pelgrims. Na veel gelobby bereikte hij per kameel en met een bewapend escorte uiteindelijk Mekka. Een Ethiopisch meisje, gekocht op de slavenmarkt, wijdde hem in in de plaatselijke gebruiken. En hij trok al snel op met de plaatselijke fotograaf Abd al-Ghaffar – ook arts, horlogemaker en wapensmid – die met zijn camera minder vijandig bejegend werd dan een westerling.

Samen portretteerden ze eerst heren van stand. Alles liep op rolletjes, en toen ineens niet meer. Halsoverkop moest Snouck Hurgronje Mekka verlaten. Hij was de dupe geworden van valse roddel. Terug in Nederland bleef hij Abd al-Ghaffar bestoken met verzoeken: stuur me foto’s van vrouwen en slaven! De hadj geloofde hij verder wel. De man in Mekka deed zijn best, zo bewijzen de foto’s in het boekje, maar niet genoeg, vond Snouck Hurgronje.

Of het nu de opnamen van Tepe of Heldring zijn, je treft ze bij uitzondering aan in ’s Rijks’ zalen. Laat staan dat je in fotoalbums kunt bladeren, zoals in dat van een onbekende Duitser, die eind 19de eeuw zelf een exemplaar in Japan samenstelde. Westerse toeristen kochten daar meestal kant-en-klare lakalbums vol exotische attracties: van tempels en kersenbloesem tot geisha’s en samoerai. Het deeltje Unknown Japan is een speurtocht naar die Duitser: waarom kocht hij die afwijkende foto’s, wat had hij met moderne architectuur? Intussen kom je veel te weten over de vroege fotografie, toen een portret nog het maandsalaris van een Japanse bouwvakker kostte.

De serie beslaat nu dertien boekjes. Volgend jaar verschijnen er drie nieuwe, over amateur Dolph Kessler, Man Rays portret van Peggy Guggenheim en over veertig jaar foto-opdrachten van het Rijks. ‘Voor elk wat wils’ is een flauwe conclusie, en toch is het zo. Daarnaast maakt ieder deeltje je nieuwsgieriger naar wat er nog meer in dat fotoarchief ligt. Dat het Victoria & Albert Museum in Londen het idee overneemt, zegt genoeg.