Literatuur? Het gaat héél slecht!

Donderdagavond sprak Philip Huff, een van de acht gastschrijvers van de Universiteit Leiden, over de staat van de letteren. „Literatuur kan veel gebreken op deze wereld verhelpen.”

Illustratie Olivia Ettema

Vorige week reikte Job Cohen in Den Haag de AKO Literatuurprijs uit. Ik geloof niet dat ik nog hoef te zeggen dat de genomineerden man waren, blank, en vijftig jaar of ouder. (Ver)grijzend dus. Cohen stelde in zijn uitreikingstoespraak desondanks dat de literatuur in Nederland ‘een bestendig leven heeft’. Nu kan ‘bestendig’ twee dingen betekenen: 1) niet telkens veranderend, of 2) duurzaam. Als de voorzitter bedoelde dat er weinig verandert in Literatuurland Nederland – in 28 jaar AKO Literatuurprijs waren er 22 mannelijke winnaars en 6 vrouwelijke – dan heeft hij natuurlijk gelijk. Bedoelt hij dat de Nederlandse literatuur niet aan slijtage onderhevig is en nog lang meekan, dan lijkt me dat – zeker voor iemand die vorig jaar nog de alarmbellen liet klinken over de toekomst van de bibliotheek in Nederland – een opmerkelijke uitspraak.

Het gaat namelijk heel slecht met de literatuur in Nederland. En dat is slecht nieuws voor iedereen, niet alleen voor schrijvers, uitgevers, boekverkopers lezers. Maar ook voor u.

Want het effect van het lezen van literatuur, of zo men wil: het nut, om daar maar meteen vanaf te zijn, is wetenschappelijk bewezen. Raymond Mar en Keith Oatley, beiden als psycholoog verbonden aan Canadese universiteiten, hebben in 2006 en 2009 aangetoond dat zowel volwassenen als kinderen die vaak fictie lezen andere mensen beter lijken te begrijpen, dat wil zeggen: zich beter kunnen voorstellen hoe anderen zich voelen en beter begrijpen hoe anderen de wereld zien. Maar het lezen van literatuur neemt in Nederland af – ons land daalt elk jaar verder op de Unesco-ranglijst van vermogen tot ‘begrijpend’ lezen.

Hoe vaak leest u nog een boek, zeker in vergelijking met vroeger? Toen u nog kind was?

Lezen – inbeelden – inleven; een studie uit 2010 onderzocht eenzelfde mogelijk causaal verband bij kinderen en had hetzelfde resultaat: hoe vaker kinderen verhalen kregen voorgelezen, hoe genuanceerder hun idee was van de beweegredenen van andere mensen. En vorig jaar nog bewees Maja Djikic, eveneens een onderzoeker uit Toronto, dat mensen die korte verhalen lezen gemakkelijker wanorde en onzekerheid kunnen verdragen, een houding die het mogelijk maakt zowel vooruitstrevender als creatiever te denken.

Een verblijf in een andere wereld

De afstand tussen zichzelf en anderen verkleinen, door beter te begrijpen wie de ander ís, dat is wat de lezende mens doet. Dit effect, dat ik ‘cognitieve empathie’ zou willen noemen, kan niet worden gesorteerd door je ogen over een stukje tekst op een website te laten glijden. In tegenstelling tot korte nieuwsberichten op het blinkende platte vlak van een door advertentie-inkomsten gedreven website, is een goed geschreven roman een narratief dat ‘dieplezen’ afdwingt én faciliteert: het biedt zonder hyperlinks, plaatjes, filmpjes of geluidjes een lang en volledig verblijf in een andere wereld, waarbij de wereld waarin je leest verdwijnt. Je komt heel dicht bij de ander.

Lezen lijkt anti-sociaal, maar een boek is bij uitstek een social medium. De mogelijkheid tot inleving die dat dieplezen schept, komt voort uit de manier waarop ons brein omgaat met een roman: het creëren van een mentale representatie van het verhaal vindt plaats in dezelfde hersengebieden die actief zouden zijn als de scène zich ‘in het echte leven’ ontvouwde. Lezen, vergroot, kortom ons inlevingsvermogen. Als we dat zelf niet doen, is het in ieder geval fijn als de ander dat doet, niet?

Internet biedt ons wellicht nieuwe vormen van literatuur, maar we zijn – eerlijk is eerlijk – toch sneller geneigd naar Achterklap te surfen, en het beeldscherm is nu eenmaal niet de beste drager voor tekst. Brits onderzoek uit 2013 onder bijna 35.000 kinderen tussen de acht en zestien jaar oud wees uit dat kinderen die veel online lezen, sneller geneigd zijn te stellen dat ze lezen niet ‘heel leuk’ vinden, en de kans dat zij een favoriet boek konden noemen was nog veel kleiner. Het onderzoek wees ook uit dat beeldschermlezers waarschijnlijk geen ‘bovengemiddelde’ lezers worden. Op een beeldscherm ben je daarnaast geneigd steeds sneller te gaan lezen, terwijl op papier de leessnelheid juist daalt. Het langzame, aandachtige bewegen over de bladspiegel biedt de lezer de mogelijkheid het lezen aan te vullen met overdenkingen, reflectie, herinneringen en meningen.

En het e-boek hindert ons ook: het bemoeilijkt ons ruimtelijk inzicht. Bij een boek onthouden we niet alleen hoe iets staat geschreven, maar ook waar het staat.

Geen handig een-tweetje

Literatuur, een cultuur van inlevingsvermogen en communicatie, is dus een wisselwerking tussen de wereld en het papier, en geen handig een-tweetje tussen de wereld en een beeldscherm. Daarom is het erg dat de omzet van de boekenmarkt in Nederland de afgelopen vijf jaar elk jaar met tien procent is gekrompen, en dat er in 2020 nog maar veertig procent zal resteren van de markt van 2008.

Iedereen weet dat wat je verliest maar met moeite wordt teruggewonnen. Vertrouwen, net zo goed als lezers.

Deze ‘ontlezing’ gaat in Nederland overigens het hardst van heel West-Europa. In Frankrijk was het verval van de boekenmarkt afgelopen jaar slechts drie tiende procent. Toch kwam het kabinet in spoedzitting bijeen, en werd er in het parlement over gesproken.

Hier is het anders: ‘Vroeger kocht een bibliotheek veertig exemplaren van je boek,’ zei een bekende Nederlandse auteur mij onlangs, ‘en dan wist je: dat wordt gelezen. Maar dat gebeurt niet meer.’

Veertig verkochte boeken leverden een auteur tachtig euro op. Als je rijk wilde worden, ging je al niet schrijven; schrijven doe je omdat je niet anders kan en omdat je hoopt een dialoog aan te kunnen gaan met de wereld om je heen. Met een lezer.

Maar voor een lezer heb je een bibliotheek nodig, en een boekwinkel, en bibliotheken verdwijnen dus, zoals de commissie-Cohen vaststelde – in de afgelopen tien jaar driehonderd vestigingen –, schoolbibliotheken hebben geen budget meer, en de boekhandels blijven leeg. Het antwoord vanuit de politiek is de Steve Jobs-school. Nog een iPad om Angry Birds op te spelen.

Echt duurzaam wordt er dus niet met de literatuur omgegaan.

Deze grootschalige verdwijning van boeken zal Nederland op allerlei vlakken verarmen, van hogere laaggeletterdheid, en dus een slechter presterende economie, tot culturele verarming en minder gemeenschapszin.

Ik wil niet te romantisch naar de wereld kijken, maar ik denk ook dat ik nuchter ben als ik stel dat de literatuur hier een tegenwicht kan bieden, dat gemis kan invullen. Maar dan moeten de feiten wel op tafel liggen, en moet men daar helder en eerlijk over zijn: het gaat helemaal niet goed met de literatuur in Nederland. En daar moeten we wat aan doen.

Om dat te bewerkstelligen moet Job Cohen het echte verhaal kennen, én vertellen: de literatuur is in gevaar, en iedereen die wel eens in een boekwinkel, buurtbibliotheek of middelbare school komt weet dat – en moet Cohen ons vertellen wat we daar wat aan kunnen doen.

Een begin? Oorlog en Terpentijn kopen én lezen. Een prachtig boek, inderdaad, over liefde, trauma’s, opofferingsgezindheid, en wat het betekent om jong te zijn in tijden van oorlog. En anders één van de boeken die nu voor de dertigste Verweylezing worden gelezen.

Ik zeg u: er zit niet één slecht boek tussen.