Hoe te ontsnappen aan je afkomst?

Een tomeloos ambitieuze moslim doet zich voor als Jood. Zijn broer kiest voor het terrorisme en de Jood, wiens identiteit is gestolen, leeft in armoede. Een van energie en intelligent engagement doortrokken roman.

Karine Tuil Foto J.F. Paga/Grasset

Alsof de duivel haar op de hielen zit, voortgedreven, opgejaagd – zo moet de Franse schrijfster Karine Tuil (1972) de eerste bladzijden van haar roman Een verzonnen leven hebben neergepend. Als lezer raak je net zo buiten adem, meegezogen in de turbulente woedende woordenstroom, tot je na een kleine twintig pagina’s een kort respijt wordt gegund. En dan begint het pas echt.

In haar negende roman brengt Tuil thema’s samen die ze in haar vorige boeken verkende: schuivende identiteiten, perverse man-vrouwrelaties, vals slachtofferschap en het onvermogen van de mens zichzelf te accepteren zoals hij is. De hoofdpersoon van Een verzonnen leven bouwt zijn bestaan op een leugen: Samir Tahar is de zoon van Tunesische moslimouders, die er maar ternauwernood in slagen in Frankrijk een bestaan op te bouwen. Zijn vader vindt onder verdachte omstandigheden de dood in een politiecel, zijn moeder wordt werkster bij een Frans politicus die haar bezwangert en weigert het kind te erkennen.

Samir groeit op in de banlieue, vecht zich uit de kelders waar geweld en gangrapes schering en inslag zijn, studeert keihard om zich te ontworstelen aan het milieu waarin hij is geboren. Hij wordt meester in de rechten, solliciteert zich een ongeluk, maar wordt nergens ook maar uitgenodigd voor een gesprek. Het komt door zijn Arabische naam, vermoedt hij. Hij verandert Samir in Sam en wordt prompt opgeroepen door een groot advocatenkantoor. De Joodse topman informeert of Sam een afkorting is van Samuel. In de korte stilte die Samir na deze veronderstelling laat vallen ligt zijn toekomst beschoren: hij spreekt niet tegen dat hij van Joodse afkomst is en legt zo de basis voor de leugen waarop hij zijn toekomst bouwt.

Samir, een Arabische moslim, wordt een ‘Joodse’ topadvocaat in het grootste Joodse kantoor in de Verenigde Staten en trouwt met de dochter van de rijkste Joods-orthodoxe zakenman in New York. Hij beweegt zich in kringen waar men schoenen poetst met Dom Perignon en voor een verjaardagspartijtje de halve gemeentelijke zoo in de achtertuin laat grazen. Hij wordt een man die zich de biografie van een jeugdvriend toe-eigent, zijn moeder en zijn broer uit zijn leven bant en uiteindelijk de tol betaalt voor zijn tomeloze ambitie.

Dicht op onze tijd

Het is maar een van de vele verhaallijnen in deze rijke roman, die niet alleen sociaal geëngageerd is en dicht op onze tijd zit, maar ook reflecteert op de positie van de vrouw en die van de schrijver. Wat betekent het eigenlijk om in deze tijd Jood te zijn, moslim of christen, is de vraag die Tuil in haar boek oproept. Kun je ontsnappen aan je afkomst, heb je je leven in eigen hand en is succes een kwestie van wil en ambitie? Nee, antwoordde Tuil onlangs op deze vraag in Maison Descartes in Amsterdam, „ik vrees dat je niet aan je origine kunt ontkomen.”

Haar hoofdpersoon Samir/Sam bereikt (tijdelijk) de top. Al zijn lusten kan hij botvieren: zijn vraatzuchtige seksuele behoefte, zijn ontembare verlangen mee te tellen in het kapitalisme. Totdat zijn halfbroer het eerste scheurtje veroorzaakt in zijn schijnpaleis.

Een verzonnen leven dringt ook door in het extremisme dat diametraal de andere kant op gaat. Samirs halfbroer François, bastaardzoon van de Franse politicus, beschikt niet over Samirs studieuze volharding. Hij raakt verstrikt in de misdaad van de banlieue. Radicale imams preken de jihad, schetsen een heldhaftig toekomstperspectief. François’ mannelijkheid wordt uitgedaagd, zijn geest gehersenspoeld, hij wordt in Pakistan opgeleid tot islamitisch terrorist. Het mannelijk testosteron drijft de man tot het uiterste, lijkt Tuil te zeggen, er moet en zal macht vergaard worden.

En lukt het niet, dan is er altijd de virtuele wereld. Een schijnidentiteit opbouwen is een fluitje van een cent: een facebookprofiel hoeft niets van doen te hebben met de realiteit. De verleiding van het exhibitionisme neemt groteske vormen aan, illustreert Tuil. Je leven kan een grote misère zijn, terwijl je virtuele identiteit macht en rijkdom uitstraalt.

Tuils tweede mannelijke hoofdpersoon, Samuel Baron, ontdekt dat zijn jeugdvriend Tamir zijn levensloop heeft gestolen, wat hem geen windeieren heeft gelegd. Zelf is hij niet verder gekomen dan een bescheiden positie als sociaal werker in achterstandswijken. Gelukkig kan zijn facebookaccount zijn status wat oppoetsen. Zijn ambitie schrijver te worden heeft Samuel nooit kunnen realiseren. Hij zoekt de confrontatie met de man die er met zijn identiteit vandoor is gegaan. Hij verliest, raakt alles kwijt. Pas dan, in de diepste eenzaamheid, kan hij de roman schrijven die hij altijd voor ogen had.

Houellebecq

Hier nadert Tuil het credo van Michel Houellebecq: al het lijden is goed, nuttig en zelfs noodzakelijk voor wie wil schrijven. Pas dan komen de zinnen ‘alsof ze hem werden gedicteerd door een vorm van innerlijke razernij – al in zijn moeders buik vergiftigd, verstikt door angst en woede’.

Opvallend in deze van energie en intelligent engagement doortrokken roman is de ondergeschikte rol die Tuil voor haar vrouwelijke personages reserveert. Nina, de vrouw die zowel door Samir als door Samuel wordt bemind, voegt zich naar hun grillen, laat zich chanteren, charmeren en als beschikbare minnares onderhouden. Ruth, de bedrogen echtgenote van de ‘Joodse’ Samir, wentelt zich onschuldig in de luxe waarin ze is opgegroeid en stelt zich geen enkele vraag over haar leven. De moeder van Samir, tot slot, verliest iedere grip op haar zoons: de ene schrapt haar zo goed als helemaal uit zijn leven, de andere terroriseert haar binnen de muren van haar eigen huis.

Pas aan het eind van haar roman laat Tuil haar belangrijkste vrouwelijke personage een daad stellen: liever arm en vrij dan rijk en ondergeschikt. Maar dat lot spiegelt Tuil tegelijkertijd in dat van haar mannelijke hoofdpersonen. Ook zij eindigen alleen. De tomeloze ambitie, bij Tuil bron van al het menselijk handelen, wordt beteugeld. Het schrijven blijft over, graven in de modder ‘met het gevaar van ontploffing, fragmentatie en vernietiging, en mijnen vegen was er onmogelijk’.

What makes Sammy run? kopt een Amerikaanse krant in een stuk over Sam/Samir op de toppen van zijn macht. In haar, overigens ook uitstekend vertaalde roman, formuleert een Tuil antwoord. Alleen gaat die niet over de drijfveren van Sammy alleen, maar over die van de mens van nu.