Hoe bloedeigen is hun oude vader zelf eigenlijk?

Goud heeft journalist en schrijver Jeroen Thijssen (1959) in handen met zijn Indische familieroman Solitude. Het boek begint in Haarlem, in mei 1979. Twee broers, Frank en Robert, hebben een diepe band met hun grootvader. Kleinzoon Frank heeft literaire aspiraties. De ontdekking van opa’s archief, weggeborgen in geheime dozen, geeft hem spannend materiaal: hij komt een verborgen familiegeschiedenis tegen.

Dit tweetal krijgt een spiegeling in het koloniale verleden: hun voorvaderen vochten op Lombok, in 1896. Na die bloedige strijd, door Thijssen met gusto en kennis van zaken beschreven, vestigen zij zich voorgoed in Indië. De een als journalist, de ander als planter. Onvermijdelijk hebben deze mannen relaties met inlandse vrouwen. De vraag of de bloedeigen vader en voorvaderen wel zo bloedeigen zijn, dient zich met ontwrichtende kracht aan.

Thijssens historische kennis is verbluffend, hoewel helaas een bronvermelding ontbreekt. Zijn vermogen een spannend verhaal te vertellen dat telkens nieuwe wendingen neemt, is aanstekelijk en zijn evocatie van personages spreekt aan. Tot het familiebezit behoort de voormalige planterswoning Solitude, eenzaam gelegen in de jungle van Java. Het valt de jongens uit een erfenis toe, maar zijn zij wel de erfgenamen? Een avontuurlijk beschreven Indonesische reis naar het landgoed brengt een ontmoeting met een mysterieuze man, Barep. Hij heeft iets weg van Kurtz uit Conrads Heart of Darkness (1899). Deze onbekende man blijkt familie te zijn, en met deze ontdekking kantelt het wereldbeeld van de beide broers. Hun ontgoocheling beschrijft Thijssen met inleving en mededogen.

Afgezien van alle kwaliteit heeft Solitude een nadeel. Thijssen bedient zich van een onstelpbare hoeveelheid metaforen. Op elke bladzijde staan vreemde vergelijkingen en bizarre beeldspraken. Dat is echt jammer. Een vrouw toont een decolleté dat ‘wenkbrauwen ten hemel had doen rijzen’. Als Hendrik op Java kostbaar land wil kopen ‘voelt hij de prijzen in zijn binnenste zinken tot ze zijn ballen bereikten’. Schuift een locomotief het station binnen, dan staat er ‘hijgend als een vermoeide olifant maar dan rood’. Rood hijgend? En een boer die iemand laat ‘ruiten rinkelen’. Deze beelden zijn ongeloofwaardig. Meer soberheid en een strakkere stijl van schrijven hadden Solitude goed gedaan; nu woekert extreem krullendraaiend taalgebruik over de boeiende verhaallijn heen.