Gigant te Broadway en Hollywood

Mike Nichols (1931-2014)

Film- en theaterregisseur

Vanaf Who’s Afraid of Virginia Woolf? was hij specialist in bijtende relatiekomedies.

Foto AP

De Amerikaanse regisseur Mike Nichols, die woensdag op 83-jarige leeftijd aan een hartaanval overleed, was een gigant. Die prijzen alleen al: Tony’s, Oscars, Grammy, Emmy. Keizer op Broadway, koning in Hollywood. In 1965 had het toen 34-jarige wonderkind al zoveel prestige op Broadway dat Warner Bros hem in zijn debuut, de verfilming van de toneelhit Who’s Afraid of Virginia Woolf? direct superkoppel Elizabeth Taylor en Richard Burton toevertrouwde.

Het was een stormachtige, verpletterende eerste film: Nichols’ meesterschap school er van het begin af aan in dat hij van dit soort heftige toneelteksten rauwe realiteit maakte. Maar wie Nichols na Virgina Woolf (5 Oscars) als pure toneelregisseur zag, niet als cineast, werd verrast door The Graduate, dé generatiefilm van de babyboomers. De bioscoophit uit 1967 over de lusteloze twintiger Benjamin (de doorbraak van acteur Dustin Hoffman), bokkige toy boy van de oudere Mrs. Robinson, is een film vol iconische beelden: Benjamin onder water geduwd door zijn ouders, de kousen van Mrs. Robinson. En passant creëerde Nichols nieuwe tradities voor de romantische komedie, zoals de run for love in de finale.

Afgezien van een zeldzame uitglijder als Day of the Dolphins (1973, paranoiathriller met pratende dolfijnen), valt Nichols’ filmoeuvre uiteen in goed en geweldig. En zijn latere werk wás geweldig: van miniserie annex aidsepos Angels in America (15 Emmy’s) en de hypercynische vierhoeksromance Closer (2004) tot Charlie Wilson’s War (2007) met Tom Hanks en Julia Roberts als beminnelijke Republikeinen die Osama bin Laden in het zadel helpen. Daarna deed Nichols het rustiger aan, al kreeg hij op zijn tachtigste op Broadway zijn laatste Tony, voor Death of a Salesman met Philip Seymour Hoffman.

Mike Nichols werd in 1931 in Berlijn geboren als Michael Igor Pestsjovski in een Russisch-Joods gezin. In 1939, werd hij, op zevenjarige leeftijd, met zijn broertje op de boot naar Amerika gezet. Dankzij hun Sovjetpaspoorten – nazi-Duitsland en de USSR waren bondgenoten – kon hij zijn vader achterna, die zich daar als arts had gevestigd. Zijn patroniem Nikolajevits werd zijn achternaam.

In Chicago sloot Nichols zich als tiener aan bij de legendarische cabaretgroep The Compass Players. Hij studeerde bij method-acting-goeroe Lee Strasberg en vormde met actrice Elaine May in 1958 het populaire komische tv-duo Nichols and May.

In 1961 viel het duo uiteen, Nichols richtte zich nu op regisseren. Hij wilde ‘echte’ films maken, zoals zijn idool Elia Kazan: heftig, flamboyant, gepijnigd, wreed en gênant eerlijk. Dat bleef Nichols’ dramaturgie typeren, ook in politieke films als Silkwood (1983). Vaak koos hij een relatie om vivisectie op te plegen. Na drie scheidingen en talloze amourettes zag hij zichzelf als specialist in falende liefde. Jack Nicholson zette in Heartburn (1986) en Carnal Knowledge (1971) prachtige machozwijnen voor hem neer - en een weerwolf in Wolf (1994).

Nichols’ humor was niet vervuld van tranen maar van afbijtmiddel: hij pelde zijn personages laag voor laag af. Wat restte was zo vastgedraaid in eigen ellende, dat je ongemakkelijk lachte. Neem die depressieve schoonheid in Carnal Knowledge: „Ik lig de hele dag in bed omdat ik mijn leven haat.” „Wat haat je in je leven?” „Dat ik de hele dag in bed lig.” Bij Nichols klonk zo’n Woody Allen-grap diep triest. Zo’n regisseur was hij.