Frankrijk is al tijden dood, lang leve het nieuwe Frankrijk

De Franse hegemonie in Europa, politiek én cultureel, is al decennia geleden verloren gegaan. Welke gevaren schuilen in de springlevende nostalgie naar Franse grandeur?

Defilé van de Republikeinse Garde op de Champs Elysées in Parijs op 14 juli 1981 Foto Rue des Archives/AGIP/HH

In Frankrijk snelt men dezer dagen naar de boekhandel voor Le Suicide français van journalist en schrijver Eric Zemmour. Honderdduizenden exemplaren gingen al over de toonbank. En dat alles om te vernemen hoe beroerd het er met Frankrijk voor staat.

Zemmour, medewerker van Le Figaro, concludeert op de laatste bladzijde van zijn boek: ‘Frankrijk sterft. Frankrijk is dood’. De schuld krijgen de linkse raddraaiers van mei ’68. Destijds konden ze niet de macht grijpen; sindsdien hebben ze de traditionele Franse cultuur zorgvuldig om zeep geholpen met een fatale mix van egalitarisme, feminisme, multiculturalisme, antiracisme en universalisme. Een ramp voor de staat, het gezin, de arbeid en het onderwijs, maar niet voor het kapitaal.

Via de politiek correcte kaalslag van de achtenzestigers kon de maatschappij volkomen in de greep raken van de Markt en zijn de Fransen van betrokken burgers veranderd in individualistische consumenten. Ook de islamitische immigranten, de globalisering en de Europese Unie krijgen er stevig van langs. Het is allemaal één complot om de Franse natie aan haar eind te helpen.

Het succes van Zemmour staat voor een crisis die zich bepaald niet tot Frankrijk beperkt. In Duitsland zorgde Thilo Sarrazin met zijn boek Deutschland schafft sich ab (2010) voor een soortgelijke ophef. Ook in Nederland ontbreekt de conservatieve kritiek op Europa, de multiculturele samenleving en het neoliberale marktdenken niet. Maar een boek met de titel ‘Nederland pleegt zelfmoord’ zie ik hier nog niet zo gauw verschijnen. Wij moraliseren liever, met altijd hoop aan de horizon, dan dat we doemdenken.

De Fransen zijn er juist dol op. Het wemelt in Frankrijk van zulke boeken: van Alain Finkielkrauts destijds ook zeer succesvolle La défaite de la pensée (1988) tot meer recente titels als La grande déculturation (2008) en Décivilisation (2011) van Renaud Camus en La régression intellectuelle de la France (2011) van Philippe Nemo. Misschien herinnert men zich ook nog de ‘literaire’ verdediging van de Noorse massamoordenaar Anders Breivik door de katholieke schrijver Richard Millet (Boeken, 09.11.2012), die het niet eens was met Breiviks bloedige remedie, maar wel met diens sombere diagnose inzake de ondergang van de Europese c.q. Franse beschaving.

Sterven met Europa

Wie vervolgens The Embrace of Unreason. France, 1914-1940 leest, van de veel geprezen Flaubert- en Zola-biograaf Frederick Brown, wordt het al snel duidelijk dat de somberheid over de eigen natie in Frankrijk nog veel ouder is. Zonder overdrijving kunnen we spreken van een traditie die minstens teruggaat tot de Franse Revolutie. Degenen die 1789 niet konden verkroppen, hebben van meet af aan naast hun politieke verzet de culturele noodklok geluid. ‘Ik sterf met Europa’, schreef de reactionaire denker Joseph de Maistre al aan het begin van de negentiende eeuw.

Brown begint zijn relaas – zie de ondertitel – in 1914, maar dit nieuwe boek is in feite een vervolg op zijn For the Soul of France. Culture Wars in the Age of Dreyfus (2011) dat de strijd om de Franse ‘ziel’ vanaf 1870 in kaart brengt. Ook toen stonden de erfgenamen van Revolutie en Ancien Régime tegenover elkaar. Moest Frankrijk een seculiere republiek of een katholieke natie worden dan wel blijven? Ziedaar de ware inzet van de door Brown uitgebreid beschreven Dreyfus-affaire in het laatste decennium van de negentiende eeuw.

In The Embrace of Unreason komt de Dreyfus-affaire opnieuw even voorbij, als Brown de carrières van Maurice Barrès (1862-1923) en Charles Maurras (1868-1952) uit de doeken doet. Samen met de jongere schrijver Pierre Drieu de La Rochelle (1893-1945) zijn deze auteurs de hoofdpersonen van zijn boek, waarin Brown wil laten zien hoezeer het ooit zo rationele Frankrijk steeds meer in de ban raakte van irrationele ideologieën als nationalisme, antisemitisme en ten slotte fascisme. Ook Barrès, Maurras en Drieu werden geobsedeerd door het verval van de natie, waarvoor zij onder anderen de Joden, de Duitse filosofie (Kant!), de Vrijmetselarij, het grootkapitaal en uiteraard de parlementaire democratie de schuld gaven.

Contradicties

Dat lijkt allemaal helder en overzichtelijk, en daarom niet al te interessant. De helderheid en overzichtelijkheid verdampen echter prompt zodra je, met Brown, afdaalt naar de biografische en historische details. Dan duiken er, met name bij Barrès en Drieu (minder bij Maurras, de even dove als doctrinaire voorman van de Action Française), ook allerlei prikkelende contradicties en paradoxen op in hun doen en denken.

Barrès bestreed de decadentie niet alleen, hij was er op een esthetische manier ook door gefascineerd, en zijn nationalisme was een welbewuste, in wezen ‘poëtische’ constructie om aan een nihilistisch egotisme te ontsnappen. Drieu, lang aarzelend tussen socialisme en nationalisme maar al vroeg antisemiet, had diverse Joodse vrienden en trouwde met een Joodse vrouw. Als rechtse intellectueel was hij bevriend met de surrealist Aragon en toonde hij een tijdlang interesse voor het ook bepaald niet rationele surrealisme – totdat Aragon en Breton cum suis zich tot het communisme bekeerden. Drieu zelf werd trouwens eveneens door Moskou getenteerd, al koos hij tenslotte voor Berlijn en voor het nationaal-socialisme.

Wat Brown behandelt, is beslist niet nieuw. Over Barrès, Maurras, Drieu, het surrealisme en de Derde Republiek in het interbellum bestaat al een kleine bibliotheek. Brown voegt daar weinig origineels aan toe, maar hij weet het allemaal levendig op te schrijven. En vervelen doet deze materie nu eenmaal nooit. Wel overdrijft Brown wanneer hij het voorstelt alsof zowat heel Frankrijk de raison ontrouw werd, hoewel het geloof in Stalins nobele intenties bij veel linkse intellectuelen en politici inderdaad ook irrationeel kan worden genoemd. Verder lijkt irrationalisme mij een te simplistische verklaring voor de pijnlijke nederlaag tegen Hitler-Duitsland in 1940 – iets wat Brown toch min of meer suggereert.

Opmerkelijk blijft niettemin de parallel die hij trekt tussen de negentiende-eeuwse politieke stroming van het Boulangisme en de nationale adoratie in 1940 voor de toen 83-jarige maarschalk Pétain. In 1888-’89 concentreerde het verzet tegen de Derde Republiek zich in de populaire generaal Boulanger, de door Barrès vurig verlangde ‘chef’ die eindelijk orde op zaken zou stellen. Net zo hoopte men in 1940 dat de ‘overwinnaar van Verdun’ Frankrijk ten tweede male van de ondergang zou redden.

Arbeid, gezin en vaderland

Boulangers avontuur eindigde als een melodramatische farce (hij vluchtte naar België en pleegde kort daarna zelfmoord op het graf van zijn maîtresse); Pétains ‘redding’ kreeg na de capitulatie de vorm van het met de Duitsers collaborerende Vichy-regime, dat het verval van de natie hoopte te keren door de revolutionaire leuze vrijheid, gelijkheid en broederschap te vervangen door de trits arbeid, gezin en vaderland.

In werkelijkheid werd het verval er eerder door bevorderd. De oude grandeur van Frankrijk is in elk geval nooit meer teruggekeerd. Ook niet onder De Gaulle, de grote tegenspeler van mei ’68 en de held van Eric Zemmour. De Gaulle wist hoogstens de schijn van grandeur nog een tijdje op te houden. Maar met de Franse hegemonie in Europa, zowel politiek als cultureel, was het toen allang gedaan. Dat geldt niet voor de nostalgie daarnaar; die is, getuige het succes van Zemmours boek dat er vol mee zit, nog altijd springlevend. Van Brown kunnen we leren wat in deze nostalgie schuilgaat: een diepe en hardnekkige frustratie, die in het verleden soms gevaarlijke uitwegen heeft gezocht en die nu – met dank aan de EU – niet meer alleen de Fransen, maar alle Europeanen aangaat.