Eigenlijk zou je zo’n foto niet mogen zien

Op de foto zie je dat het nog heel jonge mannen zijn, met vlassige baardjes. Melkmuiltjes, dacht ik minachtend. Voor hen zitten, geknield, in blauwe overalls, de Syrische mannen. Ineens vroeg ik me af: zouden die jongens nu zenuwachtig zijn? Ze staan daar, allemaal hebben ze volgens voorschrift de overall van hun aanstaande slachtoffer vastgepakt. En zo meteen zullen ze het moeten doen, het zagen. Maar ze hebben zoiets nog nooit gedaan – waarschijnlijk. Ze weten niet of ze het kunnen. Of ze niet misselijk zullen worden, of bang. Niet, excuseer, of ze er wel in zullen slagen het hoofd van de romp te scheiden.

Zo was er iets gebeurd waarvan ik liever niet had gehad dat het gebeurde: ik leefde me in. In de daders. Zonder medelijden met ze te hebben, dat was het punt helemaal niet, integendeel, in een ander compartiment van mijn hoofd zat ik ze de verschrikkelijkste dingen toe te wensen.

Ik wil beslist niet een van die zo vaak genoemde executiefilms gaan bekijken, die je op internet zo kan vinden. Eerlijk gezegd ben ik doodsbenauwd dat ik plotseling wèl zo’n link aan zou klikken (‘het filmpje staat hierrr...’) En dan dingen zou zien die ik nooit van mijn leven had willen zien. Niet had mogen zien.

Eigenlijk vind ik dat je zo’n foto al niet zou mogen zien. ‘Mogen’ in de zin van: het zou een mens niet toegestaan moeten zijn om zulke dingen te zien. Als je gedwongen zou worden – erg genoeg. Maar ongedwongen, aan de ontbijttafel – nee. Dat is tégen iets waar niet zo gemakkelijk woorden voor te vinden zijn. Tegen een goddelijke wet. Tegen de heiligheid van het leven.

Ik weet wel dat dat het soort bewoordingen is waarin niemand meer graag spreekt, maar misschien is dat een vergissing. Want er zijn geen betere woorden voor gevonden.

God, laat niet verschroeien

mij schaamte voor uw aangezicht,

dat ik mijn blik, tóch heb gericht

toen hij vrij wilde en niet kon…

Ida Gerhardt schreef dat over een geboorte, van een ‘psyche’, een vlinder, een ziel. Het geldt ook voor het sterven, of zou daarvoor moeten gelden. Sommige dingen hebben het grootste belang bij ‘een geur van heiligheid’, bij taboes, bij ontzag of zelfs ontzetting. Al die foto’s en video’s van de afschuwelijkste dingen, ze wennen ons, ze wennen ook die diep onnozele jongens, aan dat zulke dingen plaatsvinden. Dingen die niet mogen plaatsvinden, dingen die ook de daders met de grootst mogelijke ontzetting zouden moeten vervullen. En dat misschien ook wel deden, maar ze hebben zich al mee laten slepen in een wereld waarin ‘ongelovigen’ geen mensen zijn, waarin goed en kwaad duidelijk van elkaar onderscheiden zijn en waarin het taboe op wreedheid en moordlust is opgeheven.

Dat zij zo verdwaasd zijn geraakt is verschrikkelijk. Maar als je zo’n foto ziet, in een keurige krant, die vol piëteit de gezichten van de slachtoffers met blokjes onherkenbaar heeft gemaakt, omdat de redactie blijkbaar ook wel vindt dat we iets te zien krijgen wat niet gezien mag worden, dan voel je dat er ook bij jezelf iets gebeurt. Iets dat niet anders kan worden omschreven dan als ‘schade aan de ziel’.

Ik geloof niet dat wij onze ziel heel en gaaf en ongeschonden kunnen houden. We moeten weten wat mensen kunnen doen, dus moet je soms wel kijken. En tegelijkertijd mág je niet kijken, met je buitenstaandersblik van verre krantenlezer, naar mensen die gaan worden afgeslacht.

„Het was een schepsel in uw licht.”