De onstuitbare opmars van de erfgoedindustrie

Elk tijdperk vraagt om nieuwe interpretaties van verleden en ‘identiteit’. Zo begon in 2008 een groot onderzoek naar ‘culturele dynamiek’. Wat zijn de bevindingen van de onderzoekers van destijds?

Delft AK-47, papieren kunstwerk van Magnus Gjoen

In 2010 kocht het Rijksmuseum het pistool waarmee Pim Fortuyn was vermoord. Een stuk metaal dat de Nederlandse politiek kort tevoren helemaal had ontwricht, dreigde een plaats te krijgen tussen De Nachtwacht en Het Straatje van Vermeer. Het veroorzaakte enorm veel ophef en leidde zelfs tot openlijke ruzie in de Raad van Toezicht van het Rijksmuseum. Was dit pistool Nederlands cultureel erfgoed dat goed bewaard moest worden? En zo ja, moest het dan ook getoond worden? Wanneer, door wie, en met welke toelichting?

Musea, archieven en bibliotheken doen er recent alles aan om van hun stoffige imago af te komen. Een beetje museumdirecteur neemt deel aan het maatschappelijk debat, en durft in eigen huis de orde flink onderste boven te gooien. Iedere herinrichting is een grondige heroriëntatie, want elk tijdperk vraagt om nieuwe interpretaties van het verleden. In academische kringen is dit gemunt als ‘culturele dynamiek’. In 2008 begon de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een met miljoenen euro’s gesubsidieerd, programma, waarin deze dynamiek werd onderzocht en beschreven.

Aan het einde van dit project, waar ruim vijftig onderzoekers aan deelnamen, sprak Warna Oosterbaan, oud-redacteur van deze krant, met de belangrijkste onderzoekers. Zijn boek met de wonderlijk oubollige titel Ons erf doet er helder verslag van.

Erfgoed is niet meer zomaar een schilderij in het museum, of een middeleeuws handschrift in de kluis van een bibliotheek. Het stond aan het begin van het project al vast dat het begrip ‘erfgoed’ naar alle kanten moest worden opgerekt.

Integratie

Oosterbaan zet meteen hoog in met het uit elkaar peuteren van de ‘nationale identiteit’. Omstreeks 2000 begon een debat over het mislukken van de multiculturele samenleving, die onder meer het gevolg zou zijn van het verloochenen van de goed-Nederlandse waarden. Zo betoogde Paul Scheffer dat kennis van Nederland en van het typisch Nederlandse uiteindelijk de integratie zou bevorderen. Het verfrissende van Scheffers benadering was dat hij brak met de ‘weg met ons’-mentaliteit die decennia in intellectuele kringen bon ton was geweest, maar hij zette ook de poort open voor populisten als Fortuyn en Wilders. Relativerende visies als van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die van het gescherm met ‘identiteit’ geen spaan heel liet, of van prinses Máxima die zei dat ‘dé Nederlander’ niet bestond, gingen in de maalstroom van meningen over het ‘multiculturele drama’ ten onder.

De politiek stond klaar om de ‘identiteit’ eens mooi historisch in de verf te laten zetten. Er kwam een historische canon, en het werd hoog tijd voor een Nationaal Historisch Museum, dat door initiatiefnemers Jan Marijnissen (SP) en Maxime Verhagen (CDA) was bedoeld om het gebrek aan een eigen Nederlandse identiteit op te heffen.

Het project strandde roemloos in gedoe over vestigingsplaatsen en prioriteiten. Maar het strandde misschien wel vooral omdat het politieke verlangen naar houvast in het verleden, door historici die daar gestalte aan moesten geven, niet meer begrepen werd. Veel historici waren inmiddels te veel wetenschapper om het verleden nog als vehikel voor geruststellende boodschappen te laten dienen.

Toch schuift er van alles in de erfgoedsector. Verzamelen, bewaren en tentoonstellen van erfgoed is niet meer genoeg. Elke generatie heeft de opdracht ‘er iets mee te doen’. Zo passeren in Ons erf wetenschappers die het geluid van de negentiende eeuw reconstrueren, kunstenaars en modeontwerpers die weer volop met Delfts blauw aan de slag gaan, historici en antropologen die het typisch Nederlandse onder woorden proberen te brengen, en tentoonstellingsmakers die alles doen om hun bezoekers een heuse ‘historische sensatie’ (een moment van ‘onmiddellijk contact met het verleden’) te bezorgen.

Brandend maagzuur

Het leidt tot veel retoriek en geschipper. Wat te denken van het immateriële erfgoed, dat sinds 2003 officieel wordt gekoesterd: tradities kunnen van de UNESCO een beschermde status krijgen. De vraag die dan meteen rijst is in hoeverre ze dan nog mogen veranderen en evolueren. Dat mag eigenlijk niet. Sinterklaas heeft de lijst nog niet gehaald, vanwege de recente dubieuze reputatie van zijn knecht. Die móet dus eerst veranderen.

Ons erf toont, naast veel verstandige visies op het vak van erfgoeddeskundige, ook veel geworstel met de tijdgeest. De tijdgeest die van culturele instellingen maar blijft vragen dat ze ‘een verhaal’ vertellen, en dat ze dat ook nog eens uiterst politiek correct doen. Want de waarheid mag niet altijd getoond worden, en die restrictie geldt zeker niet uitsluitend het pistool van Volkert van der Graaf. En zo is Ons erf vooral een intrigerend tijdsbeeld over de jaren dat ‘nationale identiteit’ als een scheut brandend maagzuur door de samenleving spoelde, en bleef nazeuren.