Column

Alles een maatje groter, maar niet per se beter

‘Work hard, play hard.’ De boog kan niet altijd gespannen zijn en in New York, een stad met legendarische culturele tradities, hoeft dat ook helemaal niet. Zo kan het gebeuren dat Paul Schnabel en ik ons na weken voorpret tijdens de pauze van een schitterende uitvoering van Le Nozze di Figaro vergapen aan de al even schitterende wandschilderingen van Marc Chagall in Lincoln Center. Alles is hier een maatje omvangrijker dan wij gewend zijn, inclusief de rijen voor de wc’s.

Ook de particuliere donaties aan de Metropolitan Opera liegen er niet om. Ze vullen vele openhartige pagina’s in het programmaboekje en waren hard nodig om de Met op gang te houden in een langdurig arbeidsconflict met koor- en orkestleden, wier salarissen ook al flink wat hoger zijn dan in Nederland.

De kaartjes zijn zoals verwacht veel duurder dan in Nederland, maar de kwaliteit is zeker niet heel veel beter – we zijn verwend. Zo is ook het Concertgebouw aanzienlijk goedkoper dan Carnegie Hall, maar in programmering en akoestiek zeker niet minder. Dan is het wel zo spannend om te gaan luisteren naar het jonge talent op de Juilliard School, of om naar een buurtkerk te gaan voor een merkwaardige bewerking van Mahlers Negende Symfonie, uitgevoerd door een kamerorkest dat bijna bezwijkt aan het eerste deel, maar zich later nog heel behoorlijk revancheert.

En dan is er nog het theater – en het toneelaanbod in New York is nauwelijks te overtreffen in omvang en diversiteit.

Alleen al de grote Broadway-theaters trekken jaarlijks zo’n twaalf miljoen bezoekers, met een omzet van ruim een miljard dollar; en er zijn nog tientallen kleinere theaters Off-Broadway en zelfs Off-Off-Broadway, van waaruit sommige producties als Hair uiteindelijk het magische theatergebied rond Times Square weten te bereiken. Maar dat blijft een uitzondering: in de meeste theatertjes doet een kleine groep acteurs zijn uiterste best voor een iets grotere groep toeschouwers, daartoe opnieuw in staat gesteld door vele gulle gevers en een enkel subsidietje.

Het levert memorabele voorstellingen op, bijvoorbeeld voor dertig toeschouwers in het piepkleine Playroom Theater, waar een getalenteerde ex-gevangene tien verschillende rollen speelt in een gedramatiseerde versie van zijn ervaringen met het juridisch systeem. En aan grote namen geen gebrek: Ewan McGregor en Maggie Gyllenhaal treden op in een fraaie non-profituitvoering van The Real Thing van Tom Stoppard, en onderwerpen zich daarmee vrijwillig aan het straffe regime van maar liefst acht voorstellingen per week.

Op Broadway zijn de vakbonden van acteurs en musici oppermachtig en overheerst tezelfdertijd het risicodragende ondernemerschap: producties zijn altijd kostbaar, maar soms ook uitermate lucratief, zoals de musical The Phantom of the Opera, die al meer dan 25 jaar in het Majes-tic Theatre te zien is. Hoe langer het duurt, hoe groter de kans dat er kaartjes met korting te verwerven zijn voor wie bereid is daarvoor een tijdje in de rij te staan. Als dat niet lukt, is een persoonlijk bezoek aan de theaterkassa warm aan te bevelen: wie telefonisch wil reserveren, belandt al snel in de klauwen van intermediairs die niet aarzelen de toch al hoge prijzen bijna te verdubbelen, ongetwijfeld met profijtelijke medeplichtigheid van de theaters zelf.

Een topavond in het theater blijft onvergetelijk. We bezoeken Scenes from a Marriage in de prachtige productie van onze (in New York helaas Belgische) Ivo van Hove, en verlaten drie en een half uur later gesticht en gelouterd het kleine theater. Morgen kan er weer gewerkt worden.