Column

Afgedankte engel

Steeds vaker verschijnen in de deuropening van restaurants lieftallige meisjes met een dienblad waarop een aantal glaasjes drank staan. Ze kijken je ultravriendelijk aan en vragen: „Mag ik u iets aanbieden?” Soms vragen ze niks en zijn alleen die bijna smekende ogen op je gericht. Je moet een bruut zijn om te kunnen weigeren.

Toch schiet je er weinig mee op als je op de uitnodiging ingaat. De bedoeling is dat je een poosje nogal wezenloos staat te nippen om vervolgens meegetroond te worden, het restaurant in, waar een stevig geprijsd driegangenmenu op je wacht.

Weigeren is dus verstandiger en zelfs onvermijdelijk als je weinig eetlust hebt, of als er thuis een ‘ouderwets gezellig’ bord hutspot met scharrelkarbonade op je wacht. Wie nipt met de zekerheid dat hij niet mee naar binnen zal gaan, zal zich later hopelijk een laffe profiteur voelen.

Nu het kouder wordt staan die meisjes ook nog een beetje te rillen in de deuropening. Je durft het nauwelijks meer aan te zien en schiet met neergeslagen blik voorbij.

Alsof dit alles niet erg genoeg is, kwam ik laatst een nog pijnlijker variant van klantenwerving door restaurants tegen. Of had het met restaurants niets te maken en was het een product dat zelfs te goeder naam en faam bekendstond? Ik zal het vermoedelijk nooit te weten komen.

Ik wilde achter de Munt in Amsterdam via het zebrapad oversteken, toen ik op het trottoir een mannelijke verschijning in kokskostuum, inclusief mutsje, zag staan. Staan is niet helemaal het goede woord, hij hing meer voorover, alsof iemand hem met een elastieken band van achteren vasthield. Toen ik beter keek, zag ik dat zijn voeten op een bepaalde manier ergens aan vastgehaakt zaten, zodat hij niet voorover kon vallen. In een hand hield hij een soort pannetje vast waarmee hij zwaaide als mensen hem van dichtbij passeerden.

Op sommige momenten had hij meer weg van een pop dan van een mens. Bij nader inzien was hij toch vooral een levend, Amerikaans aandoend reclamebeeld. Maar waarvan dan? Een restaurant, een voedingsproduct? Het lukte me niet een merknaam te onderscheiden, wat ook aan de invallende schemer kon liggen. Hij bracht af en toe een geluid voort, een soort mechanische piep.

Ik was overgestoken en wilde verder doorlopen, maar werd daarvoor toch te sterk gebiologeerd door het tafereel. Ik merkte dat niemand ook maar enige notitie van hem nam – behalve ik, maar ik word ervoor betaald. Dat was nog het meest tragische aan zijn performance: iedereen liep hem straal voorbij, sommigen zelfs met een boogje, alsof hij een besmettelijke ziekte uitstraalde.

Zo stond hij maar te hangen, een afgedankte engel tussen hemel en aarde. Was hij misschien een performancekunstenaar, vroeg ik me opeens af. Het leek me onwaarschijnlijk, maar ik besloot terug te keren om het hem te vragen. Voor de zebra moest ik op groen wachten. Ik zag dat een jonge vrouw hem naderde, enkele woorden met hem wisselde en toen samen met hem wat spullen van de grond raapte. Hij trok razendsnel een shirt over zijn koksbuis aan – en weg waren ze, verzwolgen door de massa. Ik liep nog een eind de Kalverstraat in, maar kon ze nergens meer vinden.

Die restaurantmeisjes en deze koksclown, ze hadden iets gemeen, bedacht ik later. Ze deden werk dat je alleen in slechte tijden wilt doen.