Aanval bij De Punt was doden met voorwaardelijk opzet

Zijn de Molukse gijzelnemers in 1977 doelbewust geëxecuteerd in een kogelregen? Die vraag van de Tweede Kamer trachtte het kabinet deze week te beantwoorden met een archiefonderzoek. De conclusie was dat de actie destijds op voldoende wettelijke grondslag rustte. En dat het besluit tot een militaire actie juist en zorgvuldig was. Dat alle gijzelnemers waarschijnlijk zouden omkomen, was ingecalculeerd.

Ook zoveel jaar na dato maakt de brute terreuraanslag grote indruk. Dat de kwestie politiek herleefde, gebeurde mede doordat nabestaanden en overlevenden emotioneel nog steeds onder deze gebeurtenissen lijden. Velen kampen met het idee dat niet het hele verhaal is verteld. Of dat nu anders wordt ervaren, moet blijken.

Dit rapport bevestigt veel van wat we wisten, voegt enige nieuwe informatie toe, maar is beperkt omdat er geen getuigen zijn gehoord. Een gemiste kans – een bredere opzet had geholpen bij de publieke aanvaarding van de conclusies. Nu blijven velen met onbeantwoorde vragen, interpretaties, ideeën en gevoelens achter.

De kaping was uniek in een aantal opzichten. Onder grotere beslissingsdruk in een acute crisis zijn bewindslieden en andere autoriteiten sindsdien niet meer gezet. Na twintig dagen gijzeling kon ingrijpen niet vermeden worden, zo spreekt duidelijk uit het rapport.

De onderzoekers vonden geen vooropgezet plan om de treinkapers standrechtelijk te executeren. Er is dus geen strategiewijziging geweest van ‘murw maken’ naar doodmaken met opzet. De autoriteiten aanvaardden wel de consequenties van de beschieting. Die bleken zonneklaar uit het aanvalsplan en waren na afloop voor iedereen die de doorzeefde trein zag ook duidelijk.

Er was gevuurd om de kapers uit te schakelen, te doden. Precisie- en mitrailleurschutters namen van afstand de delen van de trein onder vuur waar de gijzelnemers werden vermoed. Eenmaal in de trein bleken de mariniers „planmatig gericht” op het beschieten met uzi’s van ruimtes waarin zij gijzelnemers vermoedden, aldus het rapport. Van puur opzettelijk doden is juridisch dan geen sprake, maar aan de condities voor ‘voorwaardelijk opzet’ is ruim voldaan: het willens en wetens de kans aanvaarden dat de aanval de dood van de kapers tot gevolg heeft. Dat verschilt een nuance van gewoon opzet en dus van executie.

De instructie voor de militairen was níét te schieten als de gijzelnemers zich „duidelijk waarneembaar hadden overgegeven”. Volgens de destijds geldende geweldsinstructie vielen de mariniers de trein binnen uit noodweer: het leven van de gijzelaars was onmiddellijk bedreigd. Konden zij die bedreiging in de trein niet afwenden, dan ontstond voor hen juridisch de plicht om de kapers „geheel handelingsonbekwaam” te maken. Het vuren werd pas gestaakt als de kaper zijn handen omhoog stak en zijn eigen wapen wegwierp.

Het rapport maakt ook duidelijk dat een van de gijzelnemers, gewond en liggend op de treinvloer in het halfduister, van zeer dichtbij is beschoten. Of deze vrouw toen in staat was, of de kans kreeg, om zich ‘duidelijk waarneembaar’ over te geven, is de vraag. Zij bleek achteraf ongewapend. Gold daar wel het recht op noodweer, of de plicht tot buiten gevecht stellen? Daar lijkt toch ruimte voor een ander oordeel. Een strafzaak, met echte getuigen, kan hier de waarheid dienen en bijdragen aan genoegdoening, preventie en verwerking. En: de kwestie is pas gesloten als ook de getuigen van toen hun visie hebben gegeven. ‘De Punt’ hoort nog steeds bij het onverwerkt verleden. Eén goed archiefonderzoek ten spijt.