Sterke docu over KCO opent IDFA

IDFA opende gisteravond in Amsterdam met ‘Om de wereld in 50 concerten’ van Heddy Honigmann. Ze werd uitgeroepen tot „officiële levende legende van IDFA”.

Contrabassist Dominic Seldis (midden) laat bij een kinderconcert in Johannesburg zien dat het stokje van de dirigent een soort toverstaf is waarmee hij de musici alles kan laten doen wat hij wil inOm de wereld in 50 concerten van Heddy Honigmann.

Het Amsterdamse documentairefestival IDFA opende gisteravond met een ferme slag op de bekkens. Die slag weerklonk aan het begin van de openingsfilm Om de wereld in 50 concerten van Heddy Honigmann, de grande dame van de Nederlandse documentaire.

In de film over de wereldtournee die het Koninklijk Concertgebouworkest in 2013 maakte, te ere van het 125-jarig bestaan, vertelt slagwerker Herman Rieken over zijn beroep. Heel leuk, dat werk, maar hij moet vaak heel lang wachten. Het slagwerk komt vaak alleen bij de muzikale hoogtepunten in actie. Rieken vertelt smakelijk over de Zevende symfonie van Bruckner, een stuk waarin hij welgeteld één keer in actie hoeft te komen: met een ferme klap in het langzame deel.

Zijn relaas is de sterke opening van de soms wel iets te veel meanderende openingsfilm – misschien niet de meest onontkoombare documentaire waarmee het festival had kunnen aftrappen. Maar passend is het wel voor een editie van IDFA die een opmerkelijk aantal fraaie muziekdocu’s toont – naast de meer direct geëngageerde thema’s die te verwachten zijn, zoals een programma over de macht en de onmacht van de media, en over de positie van vrouwen in de documentairewereld.

De titel van de film van Honigmann – door festivaldirecteur Ally Derks uitgeroepen tot „officiële levende legende van IDFA” – is ongelukkig gekozen. Ze koos er juist wijselijk voor om slechts drie locaties te bezoeken – Buenos Aires, Johannesburg en Moskou – en om maar een klein aantal musici een rol te geven. Fluitist Kersten McCall vertelt over zijn liefde voor volksmuziek en het lied Aan de Amsterdamse grachten. Contrabassist Dominic Seldis verhaalt hoe hij verslingerd raakte aan zijn instrument door de dreigende eerste noten van de Tiende symfonie van Sjostakovitsj. In de film gaan bevlogen verhalen over klassieke muziek naadloos over in beelden van een drumband van kinderen in Soweto, of van het KCO bij een jeugdconcert met joelende schoolkinderen. Liefde voor klassiek wordt te vaak gezien als iets wat anders is – beter, hoger, mooier – dan liefde voor al die andere soorten muziek. Honigmann weet dat dat onzin is: ze laat dat onderscheid zonder nadruk vervloeien. Muziek kan ook niet bestaan zonder te communiceren, en daarom is er evenveel aandacht voor luisteraars als voor de musici. Honigmann gaat daarbij wederom eigenzinnig te werk. Ze portretteert muziekliefhebbers die niet aan het geijkte plaatje voldoen: een taxichauffeur in Buenos Aires die in zijn auto altijd klassiek op heeft staan als „metgezel voor mijn eenzaamheid”; een oudere man in Zuid-Afrika die opgroeide in armoede, maar verslingerd raakte aan de viool, toen hij Yehudi Menuhin kort na WOII in Soweto hoorde spelen. En een vereenzaamde Mahlerfan in Moskou, die de kampen van zowel Stalin als Hitler heeft doorstaan.

Mooi dat de sterren en vedetten hier nu eens een bijrol spelen: violiste Janine Jansen en chef-dirigent Mariss Jansons zijn nauwelijks meer dan figuranten. Het orkest zelf is bijna bijzaak in deze film naar aanleiding van hun jubileum. De film vertelt een veel breder verhaal over de macht van muziek. Maar dat is helemaal geen bezwaar.