Rode cijfers in de cultuursector

De grote culturele instellingen zijn in het eerste jaar van de bezuinigingen niet direct in problemen gekomen. Toch belandden veel gezelschappen in de rode cijfers, zo blijkt uit de jaarverslagen van 2013.

Echt bloed is er niet gevloeid onder de grotere culturele instellingen in het eerste jaar dat de cultuurbezuinigingen van het Rijk en van veel gemeenten hen daadwerkelijk troffen. Maar ongeschonden zijn ze lang niet allemaal door 2013 heen gekomen. 16 van de 43 onderzochte instellingen haalden rode cijfers over hun bedrijfsvoering.

De afgelopen weken zijn de laatste jaarverslagen over 2013 van de grotere gesubsidieerde instellingen gepubliceerd. Uit een inventarisatie van NRC Handelsblad blijkt dat de tering naar de nering is gezet, maar de effecten van reorganisaties zullen pas in de loop van de komende jaren te zien zijn. Er zijn in 2013 stevige stappen gezet naar meer cultureel ondernemerschap, maar de resultaten laten langer op zich wachten. De jaarverslagen vormen geen klaagzang over de bezuinigingen. 2013 was nog een overgangsjaar.

Alle drie de operagezelschappen (Nationale Opera, Nederlandse Reisopera en Opera Zuid) sloten het jaar 2013 met rode cijfers af. Ook vijf van de negen symfonieorkesten, waaronder het Concertgebouworkest, haalden een tekort op de bedrijfsvoering. En dat gold ook voor vier van de acht toneelgezelschappen en voor twee van de drie dansgezelschappen. Bij de musea (14 rijksmusea en 6 grote stedelijke en provinciale musea) hadden alleen het Museum Volkenkunde in Leiden en het Wereldmuseum in Rotterdam een tekort.

Komt dat lage resultaat altijd door de lagere subsidie? Wel bij de twee etnografische musea. Veel van de orkesten maakten grote reorganisaties door, waarbij delen van het orkest afvloeiden of in deeltijd zijn gaan werken. De reorganisatievergoedingen die de orkesten van het ministerie ontvingen, liepen op tot 10 miljoen per orkest, maar waren lang niet altijd voldoende om de werkelijke kosten te dekken.

Als een van de grootste slachtoffers van de bezuinigingen hield de Nederlandse Reisopera 3,5 miljoen euro over van de 8,5 miljoen die het Enschedese gezelschap tot en met 2012 jaarlijks ontving. Dat maakte „het opstellen van een nauwkeurige begroting een uitdaging”, zoals de directie in het jaarverslag schrijft. Het verlies was met 446.203 euro toch een ton minder dan begroot, de Reisopera had ervoor gekozen om het eerste jaar zelfs meer voorstellingen te ondernemen om zichzelf na de reorganisatie weer op de kaart te zetten. „Als gevolg van dit uitdagende jaar heeft er relatief weinig aandacht kunnen zijn voor de interne organisatie. Immers: de primaire taak van de Reisopera was het produceren van opera’s. Tegelijkertijd kan een organisatie die zo zwaar getroffen is door bezuinigingen, met als belangrijk gevolg verlies van structuur, niet anders dan zichzelf opnieuw uitvinden.”

2013 was een jaar van reorganisaties, maar niet het eerste. Sinds de bezuinigingen in 2011 werden aangekondigd had een deel van de instellingen al ingegrepen in 2012. De jaarrekeningen van 2013 worden echter nog sterk beïnvloed door de kosten van aanpassingen aan de bezuinigingen. Bij 21 instellingen zijn de personeelslasten al lager. Bij andere nog niet, omdat er nog reorganisatielasten meetellen. Bij die instellingen zullen de personeelslasten pas in de komende jaren op een structureel lager niveau liggen. In vergelijking met 2012 zijn de personeelslasten in 2013 van al deze instellingen nog maar met 4,5 miljoen euro teruggedrongen, al wordt het beeld vertekend door het Rijksmuseum dat door de heropening die lasten juist met 5 miljoen euro zag oplopen.

Soms zit het tekort in andere zaken. Bij het Gelders Orkest is het veroorzaakt door „een eenmalige, niet begrote investering in een nieuwe website”, De Nationale Opera kwam aan het grootste tekort (2,5 miljoen euro) van alle instellingen geheel en al door eenmalige afschrijvingskosten van het Decoratelier.

Toneelgroep Oostpool kreeg in 2013 juist meer subsidie, doordat het bij de subsidieverlening als groot gezelschap werd aangemerkt. Het negatieve resultaat van 149.855 euro is het gevolg van een net iets te uitbundige viering van het zestigjarige jubileum met twee extra producties. Daarmee had Oostpool „te veel hooi op de vork genomen”, zoals het zelf in het jaarverslag schrijft, terwijl het door de opwaardering aan meer verplichtingen van het ministerie moet voldoen. „Het waren te veel uitdagingen in één keer die grote druk op de organisatie hebben gezet en zich financieel hebben vertaald.” Dat was zuur voor Oostpool dat juist met een aantal succesvolle jaren ervoor had gezorgd dat de reserves weer ruim aangevuld waren na een financieel moeilijke periode.

Kwetsbaar zijn de culturele instellingen vaak. De beperkte reserves kunnen snel wegsmelten als er een paar jaar grote tegenvallers zijn. Die kwetsbaarheid valt na het eerste bezuinigingsjaar mee, het overgrote deel van de instellingen voldoet aan de normen van het ministerie voor solvabiliteit en liquiditeit. Met een negatief eigen vermogen (meer schulden dan reserves) kampen na het eerste bezuinigingsjaar slechts drie instellingen. Dat zijn de toneelgezelschappen Toneelgroep Maastricht en De Utrechtse Spelen, dat door extravagante uitgaven aan grootschalige publieksvriendelijke producties al in de vorige subsidieperiode in 2012 in problemen was gekomen.

Bij het Residentie Orkest ontstond het negatieve eigen vermogen volgens het bestuur direct door de afname van de subsidies van Rijk en gemeente met 30 procent. Inmiddels zijn er dertig voltijdbanen verdwenen bij het orkest. „Omdat het programma voor 2013 reeds lang voor de reorganisatie ontwikkeld en verkocht was, moest lang doorgespeeld worden met een grote bezetting, hetgeen tot hoge kosten heeft geleid die niet volledig werden gecompenseerd door inkomsten. Ook bracht de reorganisatie diverse kosten met zich mee waar geen financiële compensatie tegenover stond”, schrijft de directie in het jaarverslag, die aangeeft dat de artistieke ambities nu wel zijn bijgesteld.

Kortom: op korte termijn lijken er geen instellingen op omvallen te staan. Maar het is nog vroeg in deze bezuinigingsperiode. Een reeks aan jaren van negatieve exploitatieresultaten kunnen ervoor zorgen dat de reserves wegsmelten.

Denk alleen maar aan de waarschuwing van het Concertgebouworkest in zijn jaarverslag, die al eerder bekend werd. Het internationale toporkest ziet ondanks volle zaalbezettingen het eind van de inkomstengroei al in zicht terwijl kosten door prijs- en loonstijgingen op zullen blijven lopen. Dan worden de reserves langzaamaan uitgeput. Met initiatieven van cultureel ondernemerschap lopen veel instellingen nog op het Concertgebouworkest achter, maar er moet nog blijken of ze daar op lange termijn voldoende inkomsten uit kunnen putten om de teruggelopen subsidies en oplopende kosten te compenseren.