Het is vierkant en het hangt aan de muur

Op de tentoonstelling ‘ZERO’ in het Guggenheim in New York worden kunstenaars als Henk Peeters en Jan Schoonhoven als pioniers gezien. Ze bevrijdden het schilderij door het reliëf te geven of in brand te steken.

Piero Manzoni, Achrome, 1961 Foto Ellen Labenski

Het lijkt de Apple Store wel. Op de tentoonstelling ZERO in het Guggenheim is alles wit, zwart of zilver,fris, nieuw en glanzend. Slechts heel af en toe is er een andere kleur te zien; rood of geel. Yves Klein-blauw is het enige blauw. De meeste kunstwerken op de tentoonstelling zijn schilderijen. Maar ze zijn niet beschilderd. Verf is op deze tentoonstelling slechts een van de middelen waarmee je een doek kunt bedekken, een kwast slechts een van de instrumenten waarmee je een paneel te lijf kunt gaan. Het is vierkant en het hangt aan de muur, dus is het een schilderij. Henk Peeters schilderde bijvoorbeeld geen veertjes, hij lijstte veertjes in, en liet ze ook nog eens zachtjes bewegen.

Zero is de naam van een stroming en/of groep kunstenaars die eind jaren vijftig in Duitsland ontstond. Heinz Mack, Otto Piene en iets later Günther Uecker vertoonden voor het eerst werk onder deze naam, die naar het aftellen bij een raketlancering verwees. Zero was een nulpunt, een nieuw begin, waarna alles weer mogelijk moest zijn. De Duitsers vonden al snel geestverwanten in Europa – in Italië onder meer Lucio Fontana en Piero Manzoni, in Frankrijk Yves Klein en Jean Tinguely, in Nederland de Nulgroep. De kunstenaars correspondeerden, werkten aan publicaties, stelden samen tentoon. Zo ontstond het ‘ZERO-netwerk’, waartoe uiteindelijk ook kunstenaars uit Japan, de VS en Brazilië behoorden. Op de begane grond van het Guggenheim is een deel van de tentoonstelling Vision in Motion – Motion in Vision nagebouwd die in 1959 in het Hessenhuis in Antwerpen te zien was. Het lijkt nu vooral een speels totaalkunstwerk van licht en beweging, van een soort lyrische, opgewekte abstractie, heel anders dan het stoere werk van Pollock, het esoterische van Rothko of het woeste van Cobra.

Zeker in Amerika is Zero tussen alle andere verwante stromingen uit de jaren zestig tamelijk onbekend gebleven. Het Guggenheim brengt de kunstenaars nu op de eerste plaats als pioniers, wat hen in zekere zin tekort doet. Hun werk liep volgens het museum vooruit op land art, op performances, op kinetische kunst, op installaties. Inderdaad zijn aanzetten in die richting op de tentoonstelling te zien. Zo is er bijvoorbeeld een lichtballet van Otto Piene te zien uit 1961 en een zandmolen uit 1970 van Günther Uecker. Maar het merendeel van de kunstwerken betreft toch schilderijen, een genre dat een bijzonder hardnekkige vorm van kunst is gebleken. Wat heeft deze vorm wat andere vormen niet hebben?

Vooral een lange traditie, is het kortste antwoord. Je zou de geschiedenis van de moderne kunst kunnen zien als een reeks pogingen om aan het schilderij te ontsnappen, en nog is het niet gelukt. Omdat een schilderij handzaam en verhandelbaar is, als je het negatief omschrijft. Omdat een schilderij een utopie is, als je het positiever wilt zeggen. Dat was het al voor Mondriaan, die meende dat schilderijen in de toekomst overbodig zouden zijn omdat de hele wereld dan volgens zijn principes was vormgegeven. En dat bleef het voor de Zerokunstenaars, ook al hielden ze er kaarsen tegen, hamerden ze er spijkers in, en brachten ze het in beweging.

Het klinkt zo spannender dan het is, want anders dan bij voorgangers als Dada is de kunst van Zero elegant en rustig, om niet te zeggen cool. Zenny. Sommige Zerokunstenaars tonen zich ware meesters van de beperking. Uecker met zijn spijkers, Mack met allerhande spiegelingen, Schoonhoven met witte reliëfs. Wat ook opvalt, is dat de kunstenaars niet alleen zichzelf graag herhaalden maar ook elkaar. Otto Piene, Yves Klein, Henk Peeters, Piero Manzoni en Bernard Aubertin schilderden allemaal met vuur. Heinz Mack was niet de enige die graag spiegels gebruikte en Schoonhoven niet de enige die zich tot witte reliëfs bekeerde. Originaliteit mocht wel, maar hoefde niet.

Ook nu zijn er nog steeds volop schilderijen. Zelfs abstracte schilderijen zijn weer in de mode. Het werk van sommige jonge kunstenaars als Jacob Kassay of Chris Duncan zou zo op de tentoonstelling in het Guggenheim kunnen hangen. Ze delen niet alleen een soort Apple-esthetiek met Zero, maar net als Mack en Piene maken ze schilderijen zonder te schilderen, door doeken op allerlei manieren te bewerken. Kassay werd bijvoorbeeld razendsnel beroemd met spiegelende schilderijen die ontstaan door de doeken electrisch te verzilveren.

Het gaat niet meer om de afwezigheid van een voorstelling, maar om de manier waarop die afwezigheid tot stand is gekomen. Zero 2.0. Niet de vorm, maar het materiaal bepaalt de inhoud. Bij allerlei kunstenaars duikt deze werkwijze op. Roger Hiorns schildert monochrome witte doeken met koeienhersens, Karla Black gebruikt foundation en zelfbruiner. Frank Ammerlaan schildert met chemicaliën. Katja Mater exposeert foto’s die verschillende stadia in het ontstaan van een tekening gelijktijdig weten te onthullen.

Bij de Zerokunstenaars was de betekenis van het materiaal dat zij gebruikten ingegeven door de wens modern te zijn. Geen goud maar aluminium. Ook gebruikten ze graag alledaagse dingen. Het gewone mocht kunst worden. Geen bladgoud maar aluminiumfolie. Hun werk moest eruitzien alsof het zo uit de fabriek kwam. Fris en nieuw en glanzend. Op een onverwachte manier is ook dat ideaal nog verdraaid actueel. Het werk van een aantal hedendaagse abstract werkende kunstenaars wordt wel aangeduid met termen als ‘zombie formalism’ of ‘crapstraction’. Volgens de critici is het kunst van de lopende band. Fris en nieuw en glanzend.