Column

Geld voor niets, en andere mirakels

Gaan we Japan achterna? Het land kwam als eerste van iedereen met geldmarktrentes van nagenoeg nul. Het rendement op staatsobligaties ligt onder de 1 procent – een verschijnsel dat we altijd waanzinnig vonden, totdat het ook hier gemeengoed werd. En quantitative easing (QE), het pompen van geld in de economie door de centrale bank staatsschuld te laten inkopen, is er sinds jaar en dag beleid.

Interessant voor ons is dus wat Japan gaat doen. Maandag bleek dat het land wederom in een recessie is beland. En dus lijkt het een kwestie van tijd tot nieuwe economische experimenten worden gestart. Wij kunnen dan eerst van een afstandje kijken of ze lukken.

Twee interessante artikelen van de laatste anderhalf jaar helpen begrijpen wat er mogelijk op til is. Het eerste gaat over ‘helikoptergeld’, maar dan écht. Willem Buiter, hoofd-econoom van de Amerikaanse Citigroup, schreef er deze zomer een fel pleidooi voor: The Simple Analystics of Helicopter Money: Why It Works – Always.

Je geeft bij wijze van spreken iedereen gewoon 1.000 euro, jaagt daarmee de vraag omhoog en tilt de economie uit het moeras. Het mooie van fiduciair (niet door goud gedekt) geld is namelijk, schrijft Buiter, dat het voor de ontvanger (u) wel een bezit is, maar voor de gever (de centrale bank) géén last. Centrale banken maken zoveel geld als ze willen. En als de inflatie laag is – en je zelfs wat meer inflatie wenst – is deze vorm van geldschepping niet alleen geheel gratis, maar ook zonder ongewenste neveneffecten.

Je kunt helikoptergeld ook uitstrooien door de centrale bank staatsobligaties te laten kopen en afschrijven en op die manier de overheid met vers gecreëerd geld extra begrotingsruimte te geven. Is dat laakbaar? Nee, zegt de Belgische econoom Paul De Grauwe in zijn vorig jaar geschreven stuk The Fiscal Implications of the ECB’s Bond Buying Programme. In wezen, zijn de centrale bank en de overheid in dit geval één, stelt hij. Als de centrale bank een staatsobligatie in bezit heeft en daar een miljoen euro rente op ontvangt, maakt zij dat ontvangen geld als dividend over naar de grootaandeelhouder: de staat.

Budgettair hield die staatsobligatie dus al op te bestaan op het moment dat de centrale bank haar kocht en op de balans zette. Maar stel nu dat al die staatsobligaties (deels) worden afgeschreven. Dan lijdt de centrale bank toch een boekverlies, hetgeen kan leiden tot een negatief eigen vermogen? Zeker, maar who cares? Een centrale bank kan prima leven met een negatief eigen vermogen. En eigenlijk, zo stelt De Grauwe, is het hele concept van eigen vermogen voor een grote centrale bank onzinnig.

En als we toch, per se, aan zo’n eigen vermogen hechten? Dan creëert de centrale bank als het moet zomaar, uit het niets, een post ‘toekomstig te ontvangen rente’, die zo groot is als zij zelf wil. Hopsa: eigen vermogen!

Aha, zul je denken – als de duizeligheid zich inmiddels al niet van je meester heeft gemaakt – dit is toch het domein van monetaire goochelaars van bedenkelijk allooi? Valt tegen. Uitgerekend de Duitse Bundesbank paste deze truc toe in de jaren zeventig toen zij een negatief eigen vermogen kreeg. Het overkomt, zogezegd, de besten.

Zo gaat het in de wereld van de centralebankbalansen: onder is boven, links is rechts. Alice in Wonderland. De kans is dus groot dat we een nieuw experiment het eerst in Japan gaan meemaken. Bezorgd? Ontsnappen kun je niet in de wereld van het fiduciaire geld. Stel, je stapt met een biljet van 100 euro naar je centrale bank en zegt: „Hier, ik vertrouw het niet langer”. Dan zal je centrale bankier begrijpend knikken. En je er met een knipoog een nieuw biljet van 100 euro voor teruggeven. Probleem opgelost.