Column

Fictiefrictie

Maarten ’t Hart over lezen – altijd interessant. Deze maand publiceert Bibliotheekblad, het vakblad voor de openbare bibliotheek, een interview met hem waarin hij enkele harde noten kraakt over het bibliotheekwezen.

Zelf is hij altijd een gretig gebruiker van bibliotheken geweest. In zijn jeugd heeft hij daar het fundament gelegd voor zijn grote eruditie. Nu betreurt hij het dat de bibliotheken hun taakopvatting hebben verbreed. Hij zal daarmee doelen op de grote verzamelingen cd’s en dvd’s die je tegenwoordig in bibliotheken kunt aantreffen. „Op zich wel goed”, schrijft hij, „maar een bibliotheek moet in de eerste plaats een verzameling boeken zijn.”

Hij constateert dat veel bibliotheken delen van hun collectie vrij snel verkopen. „Echt zonde, temeer daar de omloopsnelheid in de boekhandels steeds groter wordt.”

Vervolgens haalt hij uit naar de overheid, die de functie van de bibliotheek onderschat. Zoals hij, afkomstig uit een eenvoudig milieu, met boeken in aanraking kwam, zo zouden allochtone jongeren zich nu via de bibliotheek geestelijk kunnen verrijken. „Wat ik echter om me heen zie, is dat bibliotheken her en der dichtgaan. Vreselijk stom van de overheid om op bibliotheken te bezuinigen. Wat kosten die nou helemaal? Voor één Joint Strike Fighter kun je alle bibliotheken in Nederland jarenlang openhouden. Bezopen politiek. Voor mij een extra reden om deel te nemen aan Nederland leest. De bibliotheek moet overeind blijven.”

Hear, hear – ook al weet ik wel hoe de hedendaagse tegenwerping zal luiden: jongeren willen toch geen boeken meer lezen. Nee? Goed, misschien zijn het straks vooral e-books, maar boeken zullen ze blijven lezen.

Een minstens zo interessant aspect van het interview is het leesgedrag van ’t Hart zelf. Tot mijn grote verbazing vertelt hij dat hij nog steeds in bibliotheken komt, maar niet meer om fictie te lenen. Want: „Fictie lees ik niet meer. Ik lijd aan wat ik zelf noem fictiefrictie. Behalve als er een nieuw boek van Van der Heijden of Rosenboom uitkomt.” Uit de bibliotheek haalt hij vooral nog biografieën en boeken over muziek en godsdienst.

Fictiefrictie! Een fraaie woordvondst. Romanmoe, wordt het ook wel genoemd, maar fictiefrictie dekt de lading – álle fictie, ook korte verhalen – beter. Het is een leeskwaal die veel oudere lezers bezoekt; ’t Hart wordt binnenkort 70 jaar. Ik herken er ook wel iets in, maar voor mij blijft fictie heilig, mits in superieure stijl geschreven. Helaas legt ’t Hart niet uit waarom hij het tegenwoordig zo moeilijk heeft met de verzonnen wereld van de fictie – uitgerekend hij, die misschien wel de grootste fictielezer van Nederland was.

In 2010 gebruikte hij het begrip fictiefrictie in deze krant voor het eerst. Hij legde toen uit waarom het boek Kleine dagen van Bernard Dewulf de Libris Literatuurprijs had gewonnen. Hij vond het een slecht boek en vermoedde dat het bekroond was omdat het non-fictie was te midden van fictie. „Zit je in een jury en moet je alsmaar fictie lezen, dan komt dat je al snel de strot uit.”

Zelf had hij dat als jurylid van de Anton Wachterprijs ook meegemaakt. Hoorndol werd hij van alle verzinsels. De enige inzending waar hij nog van kon genieten, was een boek van PvdA-Kamerlid Khadija Arib over haar integratie in Nederland. Kennelijk is ’t Hart de fictiefrictie daarna niet meer te boven gekomen.