Faal en verwonder u

Ik ben een verwoed aanhanger van falen en verwonderen. Wie faalt (en hiervan leert) en wie zich verwondert, voelt zich beter dan iemand die op zijn strepen staat, de buitenwereld cynisch bejegent of snel woedend wordt.

Als er iets naars gebeurt (een ruzie, een afwijzing, een teleurstelling of erger: een ramp, een oorlog, een moord), maar ook als er een handgemeen op straat plaatsvindt, heb ik mij aangeleerd mij zo snel mogelijk te verwonderen. Dat klinkt misschien raar, en het is niet op elke situatie toepasbaar (zeker niet als het dichtbij komt), maar we zijn misschien wel te veel getraind om te denken in goed en fout: ‘Dit deugt niet’, of ‘Wat een klotezooi’, of in een positieve situatie: ‘Hebbes’, of ‘Yes!’ Dat zit in onze natuur. Maar dat kan levensgevaarlijke situaties opleveren.

Als docent kijk ik ervan op hoe ons onderwijs en onze maatschappij zijn ingericht op de negatieve effecten van falen: boete en straf zitten ons op de hielen. Studenten zijn getraind om aan elkaar te vragen: ‘Hoeveel fouten had je?’, in plaats van elkaar te vragen hoeveel vragen zij goed hadden, of aan te geven in hoeverre zij de stof wel (of niet) beheersen.

Maar geef ze eens ongelijk: aan het einde van de rit, als zij hun diploma halen, is de excellente student met een matrix van hoge cijfers en een LinkedIn-profiel dat uit de voegen barst, het aantrekkelijkst voor de arbeidsmarkt. (Denken ze. Een goede stukadoor heeft tegenwoordig een grotere kans op een aardige baan dan iemand die Europese Studies heeft gedaan, schat ik zo in.)

Ik keek laatst naar een documentaire over een middelbare school. De leraren vergaderden als boekhouders: ze bespraken het minimale gemiddelde om die en die scholier over te laten gaan. Over mensen ging het niet. Ik snap het wel, ‘je moet ergens een grens trekken’.

Maar soms is het goed vraagtekens te plaatsen bij die grens. Misschien zie je het verkeerd. Falen, op menig gebied, maakte mij een sterk mens, en steeds bleef ik mij verwonderen over de oorzaken. Zo heb ik mijn rijbewijs gehaald, zo heb ik mijn boeken kunnen schrijven, zo voed ik mijn kinderen op, door mij immer af te vragen, vrij naar Barend Servet: ‘Hoe kan dat nou?’

De nabije toekomst wordt al eeuwen met argusogen bekeken door cultuurfilosofen en essayisten: ‘Het gaat de verkeerde kant op.’ Ik geloof in herstel na falen, berusting na verwondering en actie na verbazing. Voor mij als schrijver is dat ook nog eens heel erg bruikbaar. In de rij van de kassa zal ik me niet kwaad maken over de traagheid van de caissière, of het oponthoud vanwege een bejaarde die niet weet dat hij alleen maar kan betalen met pinpas. Ik verwonder mij. Ik ben vermoedelijk een van de weinigen. Ik zie de ongelukkig ogende schepsels zich voortslepen, zuchtend en steunend, de boodschappentrolley vol met mild geprijsde vleeswaren en slecht bier. En voilà, ik ben weer geïnspireerd.