‘Een chanson is als een foto’

De 90-jarige Franse zanger is bezig aan zijn afscheidstournee: zaterdag treedt hij op in Antwerpen. Bart Van Loo, expert van Franse chansons en bekend van De Wereld Draait Door, spreekt de meester. „Ik heb weer de stem waarmee ik debuteerde.”

2013 1. foto Archives du 7e art/dr/hh2. Foto Maria Austria Instituut/Nico van der Stam/HH3. foto Télé francaises4. Foto ANP

Hoe kleed je je als je op bezoek mag bij Charles Aznavour? Ik heb mijn hersens daarover voor niets gepijnigd. Want als de deur open zwaait, verschijnt de zanger in een pretentieloos joggingpak. „Goedendag, dankuwel en tot ziens”, zegt hij lachend in zijn beste Nederlands.

In de woonkamer van zijn Zuid-Franse buitenverblijf staat een biljart. „Vroeger heb ik nog met Gilbert Bécaud gebiljart in Knokke en degene die verloor moest een stuk van zijn haar afscheren.” De drie jaar jongere zanger Bécaud is ondertussen dertien jaar dood, maar de 90-jarige Aznavour weet van geen ophouden. Op de biljarttafel staan drie grote dozen vol papier. „Meer dan tien kilo orkestraties voor mijn nieuwe plaat. Ik zing ze liever dan dat ik ze moet dragen.”

Mijn blik valt in zijn aangrenzende werkkamer: een piano in de hoek en een muur vol foto’s, centraal hangt een kiekje van meer dan zestig jaar oud – zangeres Édith Piaf samen met Aznavour. Net als Yves Montand en Georges Moustaki leerde hij van haar de kneepjes van het vak. Wel was hij zo origineel om nooit met haar in bed te belanden, al zou hij naar verluidt wel gewild hebben. „Charles mijn minnaar?”, zou Piaf gezegd hebben. „Geen denken aan. Het zou als incest zijn.”

„Monsieur”, roept hij me tot de orde, met pretlichtjes in zijn ogen. „Je suis à vous.” Dat timbre dat je kent als je binnenzak. Het gesticuleren van de handen die tijdens zijn lied La Bohème altijd weer die legendarische zakdoek laten vallen. Deze man heeft zangers als Maurice Chevalier en zangeres Mistinguett nog gekend, mocht Charles Trenet, Georges Brassens en Jacques Brel tot zijn vrienden rekenen, en droomt vandaag hardop van een samenwerking met Stromae. Dichter bij Franse muziekgeschiedenis kun je niet komen.

Schorre stem

Begin jaren vijftig bracht een kleine man met schorre stem liedjes die niet aansloegen. Het publiek joelde hem uit. Er vlogen tomaten door de lucht. Niemand trok Aznavours talent als liedjesschrijver in twijfel, maar zelf optreden? Neen, Gréco, Piaf en Bécaud zongen zijn composities wel. De ironie wil dat het nummer waarmee hij doorbrak net datgene was waarin hij die lange lijdensweg in herinnering brengt.

„ Ik weet nog goed hoe ik me op 12 december 1960 moeizaam door mijn recital spartelde in het Parijse Alhambra. Het publiek reageerde zo koeltjes dat ik besloot een nieuw nummer uit te proberen. Na afloop bleef het publiek zich in stilte hullen. In de coulissen overwoog ik mijn carrière op te geven. Maar toen ik het publiek een laatste keer ging groeten, stond de hele zaal rechtop en schonk me een oorverdovende staande ovatie.” Met Je m’voyais déjà – zijn hartekreet over het gebrek aan succes – speelde hij niet alleen het Alhambra plat, dankzij de in allerijl geperste single schoot zijn carrière na vijftien jaar zwoegen eindelijk uit de startblokken.

In de jaren zestig ergerde niemand zich nog aan de mist die over zijn stem hing, aan zijn kleine gestalte of ruwe karakterkop. Het wrede Tu t’laisses aller (1960), het croonerachtige For Me Formidable (1963) en het hartbrekende Et pourtant (1963) bevestigden zijn status van publiekslieveling. La bohème (1965) en Emmenez-moi (1967) maakten van Aznavour een wereldster. „Het lijkt alsof het sindsdien allemaal vanzelf is gegaan, maar toch bleef ik maar een ploeteraar. Brel had gelijk: talent is hard werken. Het heeft te maken met een soort van aanleg, maar zonder ploeteren en doorzetten leidt aanleg nergens toe. Brel en Brassens waren werkezels – het eenvoudigste bewijs daarvoor zijn hun teksten: je ziet gewoon dat ze daar tot het laatste moment aan zijn blijven vijlen.”

Nieuw album

Aznavour heeft nu, meer dan een halve eeuw na zijn doorbraak, een nieuw album opgenomen en hij geeft enkele galaconcerten om afscheid te nemen van zijn fans, zoals aanstaande zaterdag in Antwerpen. „Tegenwoordig kom ik doodmoe aan, zonder stem. Dat zeg ik ook tegen mijn publiek: hier moet u het mee doen, een moeizamere tred, alweer wat wittere haren, de stem iets schorder… enfin, ik heb weer de stem waarmee ik debuteerde. Maar op het podium voel ik me weldra als herboren.”

Hij staat bekend als tegenstander van toegiften. Aznavour: „Uiteraard! Ik bereid mijn optreden voor als een meesterbanketbakker, ik kneed het deeg en laat de room opstijven, maar enkel en alleen als het publiek voldoende likkebaardt zou ik hen de kers op de taart gunnen? Neen, ik zoek naar het ultieme laatste nummer zodat het publiek begrijpt dat het na afloop naar huis mag.”

Aznavour is de troubadour van herinneringen en gevoelens die je bijblijven. „Veel van mijn liedjes haken zich vast in het verleden”, geeft hij toe, „het verleden is een eindeloos reservoir aan inspiratie.” Niet alleen het persoonlijk verleden, maar ook de collectieve geschiedenis. Hij knikt wanneer ik Jean-Jacques Goldman aanhaal die ooit poneerde dat chansons „de beste momentopnames zijn van een tijdperk, een onvervangbaar werkinstrument voor een historicus”.

„Goldman, die ik een uitstekende songwriter vind, heeft helemaal gelijk”, zegt hij. We nemen enkele voorbeelden uit zijn oeuvre door. Slenteren in La bohème niet impressionistische schilders in de schaduw van de Sacré-Coeur? „Jazeker, in dat lied bezing ik de charme van het Parijs uit de Belle Époque.” Is het aangrijpende Comme ils disent (1972) niet het eerste chanson na het Vichy-regime dat openlijk een lans breekt voor homoseksualiteit? En klinkt dat lied in het huidige Frankrijk van La Manif pour tous (de beweging die zich kant tegen het homohuwelijk) niet opnieuw bijzonder actueel? „Het lied heeft nog altijd dezelfde impact”, zucht Aznavour, „en dat zal wellicht nog even blijven. Ik heb wel over meer maatschappelijke en historische kwesties gezongen. Een joodse vriend sprak me ooit aan over Ils sont tombés (1975), over de Armeense genocide. Hij dacht dat ik het over hun genocide had tot hij het laatste vers hoorde met daarin ‘enfants d’Arménie’ – dergelijke ellende is universeel.”

De helft van iets

„Het chanson”, verzucht Aznavour, „komt niet meer over de landsgrenzen. Jazeker, er is de hegemonie van het Engels, maar onze Franse zangers willen ook niet meer de wereld veroveren. Ik heb ooit wereldwijd 35 zalen afgehuurd om evenveel concerten te geven. Wat je ook doet, je moet risico’s nemen.”

Dat lijkt me het moment om de naam Stromae te laten vallen, de Frans zingende jonge Belg die groot succes heeft. Aznavour: „Ja, dat is wel wat, die kerel heeft zijn start niet gemist.” Na een korte pauze lacht hij: „Bon, dat is wat zacht uitgedrukt, hij heeft een bom laten vallen. Als hij in staat is om al het goeds dat ze over hem zeggen niet voor waar aan te nemen, wacht hem nog een mooie carrière.” Kort na ons gesprek zou hij Stromae uitnodigen voor een duet.

Hij vraagt me waar Stromae precies vandaan komt. Als ik over België en Rwanda begin, onderbreekt de zanger, die zijn Armeense wortels nooit is vergeten, me meteen. „Ja, wij zijn allemaal de helft van iets.”

In Autobiographie (1980) zingt hij over zijn ouders die na de Armeense genocide onderdak in Frankrijk zochten en hun dromen opgaven voor hun kinderen. „Mijn vader was zanger, mijn moeder actrice, ze hebben nooit hun beroep kunnen uitoefenen en tuimelden van de ene job in de andere om te overleven. Ik was voorbestemd om een kansarme zonder opleiding te worden. Studeren zat er niet in, dus moest ik het allemaal op eigen houtje doen. Ik ben autodidact, maar ik weet heel goed dat je geen betrouwbare gids voor jezelf bent. Godzijdank heb ik boeiende mensen ontmoet en hen met vragen overstelpt. De boeken die Jean Cocteau me heeft aangeraden las ik allemaal: Balzac, Dumas, Tolstoj. Jongeren moeten beseffen dat leerkrachten een geschenk uit de hemel zijn.”

Nieuwe liedjes gaat hij in Antwerpen niet zingen, zegt hij. „Het worden de chansons die de mensen verwachten.”

Hij zou zeker Non, je n’ai rien oublié (1971) moeten zingen, zeg ik. In dit lied loopt de zanger een liefje van lang geleden tegen het lijf en trakteert haar op een glas. „Ik dacht dat alles sterft met de tijd die voorbijgaat”, zingt hij, maar „mijn verleden keert terug uit de diepte van zijn tegenslagen.” De vrouw zelf komt niet aan het woord. Zij is een schim die geen gezicht krijgt, een proustiaanse verschijning die de zanger door de tijd doet reizen. En die ook de luisteraar uitnodigt om achterom te kijken. Non, je n’ai rien oublié geeft je het gevoel dat het alleen al voor de herinneringen de moeite waard is om voluit te leven. Dit meesterwerk is als een polaroid: een voor een verschijnen de figuren, het café, de herinneringen en wanneer het lied uit is, is de foto ontwikkeld. „Ja”, zegt Aznavour, „une chanson, c’est une photo. Bij het schrijven is het alsof ik mijn leven, mijn gevoelens vastleg op de gevoelige plaat.”