Als de overheid burgers vertrouwt

Conflicten tussen groepen burgers en overheden kunnen langslepend zijn. Het onderling wantrouwen zit diep. Mediation kan helpen, maar dan moet de overheid afstand doen van haar macht.

Schaliegasboringen, CO2-opslag en – „ik durf het bijna niet te zeggen”, bekende de kersverse directeur van het nieuwe vakgebied Martien Kuitenbrouwer – Zwarte Piet. In een tijd dat voorbeelden van conflicten tussen burgers en overheid, en tussen groepen burgers onderling voor het oprapen liggen, is de introductie van het programma Public Mediation aan de Universiteit van Amsterdam eerder „tien, twintig jaar” te laat dan te vroeg. Dat was tenminste het vleiend bedoelde commentaar van Nicolette van Gestel, Kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER), gisteren bij een paneldiscussie waarmee het programma werd ingeluid.

Lange tijd waren instituten als de SER, maar ook de vakbond, de kerk en de overheid zelf, de plaatsen waar beleid werd bedacht, besproken en uitgevoerd. Die tijd is voorbij, en de analyse van de reden daarvan leidde gisteren tot opmerkingen over de mondige burger, de complexiteit van de samenleving en de tegenstrijdige belangen tussen verschillende overheidslagen. Het aantal strijdperken waarop publieke belangen worden uitgevochten is verveelvoudigd. Public Mediation gaat daarmee op twee manieren werken, legde Kuitenbrouwer uit: „We doen onderzoek naar ingewikkelde conflicten en we kunnen ingewikkelde conflicten begeleiden.”

Wipkippen

Hoe overzichtelijk zo’n belangentegenstelling kan zijn, bleek toen stadsdeelsecretaris Liane Pielanen van Amsterdam-Oost het voorbeeld gaf van een speelplein in de buurt. De ene groep ouders, met jonge kinderen, wil dat er wipkippen en een glijbaantje worden neergezet, de andere groep wil dat er voor hun oudere kinderen iets te doen valt. „Uiteindelijk heeft de kleinste groep zich neergelegd bij de wensen van de meerderheid.”

Eigenlijk, zegt Martien Kuitenbrouwer, is dat geen goed voorbeeld van mediation. Want bij het pleintje wendden twee bewonersgroepen zich tot de overheid als een koning Salomo, en besliste uiteindelijk de meerderheid. „Bij public mediation is de overheid zelf juist een van de partijen in het geding en niet de mediator.”

Haar collega David Laws noemt de inrichting van de Tweede Maasvlakte als voorbeeld. Surfers hadden daar de mooiste surfplek van Nederland gevonden. Zij dachten dat ze die zouden verliezen. Daarna werd het plan mede door hun inbreng aangepast, waarna de situatie uiteindelijk zelfs nog beter werd voor de surfers. „Zij committeerden zich dus aan de uitkomst omdat die in hun voordeel was.”

De overheid is al jaren aan het experimenteren met verdergaande manieren van inspraak. Onlangs legde Deltacommissaris Wim Kuijken in deze krant uit hoe hij al polderend door het rivierenlandschap was gegaan om zo nodig in elk dorp te bespreken welke oplossing voor wateroverlast het beste was. Soms droegen bewoners betere oplossingen aan dan de overheid had bedacht.

Werkelijke belangen

Allemaal heel mooi, zei de Amerikaanse mediator Howard Bellman, maar dit is ook geen mediation. Pas als de overheid zichzelf op een gelijk niveau met de burgers plaatst bij een conflict, heeft public mediation zin. „Ze moeten afstand durven doen van hun macht.” De kern van het proces van public mediation, zei Bellman op grond van een praktijk van meer dan veertig jaar, is dat de deelnemers hun werkelijke belangen op tafel durven leggen.

„De overheid moet zien dat haar belang het best is gediend als ze mij een neutrale rol gunt”, zei Bellman. „Ze moet erop vertrouwen dat ze er ook op vooruitgaat als ik niet haar instrument ben.”

Stadsdeelsecretaris Liane Pielanen formuleerde het als een paradox: „De mondige burgers dagen ons uit om hen als partner te zien; faciliteer ons, laat ons meedenken, zeggen ze steeds. Maar als het spannend wordt, wenden ze zich automatisch tot de overheid in haar klassieke rol als beslisser.”