Zwemmen in een bad vol pindakaas

Hoe maak je een film met hoofdrolspelers die tien centimeter groot zijn? De makers van ‘Wiplala’ over de special effects achter hun nieuwe Annie M.G. Schmidt-verfilming.

Technisch veel te ingewikkeld, zo leek de verfilming van Annie M.G. Schmidts Wiplala. Want hoe verfilm je een avontuur met hoofdpersonages van tien centimeter groot die op een duif over Amsterdam vliegen en het beeld Atlas op het koninklijk paleis levend ‘tinkelen’ (Wiplalaans voor toveren)?

„Gewoon bij het begin beginnen”, dacht Tim Oliehoek. De regisseur tekende de hele film „shotje voor shotje uit in een storyboard zo dik als een telefoonboek”. Daarna was het een kwestie van „heel veel vergaderen met makers van special effects, een lijst maken van wat we per shotnummer allemaal nodig hadden, en dat ten slotte uitvoeren”.

Scenarioschrijfster Tamara Bos – die eerder ook al Otje, Pluk van de Petteflet en Minoes voor film bewerkte – had het boek uit 1957 al grondig geactualiseerd. Oliehoek voegde daar nog extra spektakel aan toe. „We hebben vooral geprobeerd om het verhaal spannender en filmischer te maken, onder meer met een coole car chase door de stad in een radiografisch bestuurbare speelgoedauto en met allemaal obstakels onderweg.” Het levend toveren van het beeld Atlas haalde Oliehoek naar achteren en zette hij in als climax.

Net als in het boek is Wiplala de hele film 10 centimeter groot en ook de familie Blom ‘tinkelt’ Wiplala op een gegeven moment klein. Om de personages overtuigend als kleine wezentjes in een grote wereld te laten rondlopen, nam de regisseur bijna de hele film dubbel op. „We hebben eerst in Amsterdam twee maanden de achtergronden zonder acteurs gefilmd en daarna in een studio in Luxemburg vanuit dezelfde hoek en met hetzelfde licht nog een maand de acteurs voor een green screen gefilmd. Vervolgens werden de opnames getrukeerd en over elkaar heen gezet.”

Op locatie zorgden poppetjes voor de juiste camerapositie. „We hebben de acteurs tien centimeter groot in 3D geprint en overal neergezet. Nadat we de camera erop scherpgesteld hadden, haalden we de poppetjes weer weg. Zo hadden we een lege achtergrond, maar wel met de juiste hoek en het juiste licht”, legt Oliehoek uit.

Geen mens, geen dier, een Wiplala

Voor de scène waarin Wiplala met de familie Blom op een duif over Amsterdam vliegt, bevestigde Oliehoek een camera aan een 21 meter hoge kraan die op een boot over de Amstel voer. Voor de oorspronkelijk geplande drones kreeg hij geen toestemming. Ook mocht hij niet te dicht bij het Paleis op de Dam komen. Scènes met het dak van het paleis en Atlas draaide de crew voornamelijk vanuit een hoogwerker, de balkonshots op een soortgelijk balkon in Den Haag.

De beelden van Amsterdam wilde Oliehoek zo mooi maar ook zo realistisch mogelijk schieten. „Bij eerdere verfilmingen van Annie M.G. Schmidt is het vaak de wereld die heel erg surrealistisch of vervormd is. Wij wilden een echte wereld laten zien, met bestaande locaties, waar dat gekke Wiplala-mannetje in terechtkomt.”

„Wiplala is een wezentje. Geen mens, geen dier. Hij zit er ergens tussenin, het is een Wiplala” , zegt acteur Géza Weisz (1986), die de hoofdrol speelt. Weisz had nog niet eerder voor een groen scherm gestaan. „Het was een totaal nieuwe wereld voor mij. Het is heel technisch, je hebt heel weinig om je aan vast te houden. Ik had bijvoorbeeld vaak geen tegenspelers. Plakkertje en tennisballen op statieven waren dan mijn kijkpunt.”

En dat terwijl er best wat emotionele momenten voorbijkomen. „Hij kampt met een behoorlijk identiteitsprobleem”, legt Weisz uit. „Hij is bang dat hij niet kan tinkelen en überhaupt niet goed genoeg is. Hij maskeert dat gebrek aan zelfvertrouwen met een grote mond, maar heeft eigenlijk in alle opzichten een megaklein hartje.”

Stuk kroepoek van een meter breed

Omdat de personages tien centimeter groot zijn, moesten hun rekwisieten in de studio twintig keer uitvergroot worden. Een artistiek team van 25 man ontwierp en knutselde levensgrote attributen, zoals stukken kroepoek van meters breed en een plastic bekertje van bijna twee meter hoog. Voor de scène waarin Johannes Blom Wiplala in de gootsteen wast, bouwden ze op de set een zwembad. En voor Wiplala’s duik in een pot pindakaas goten ze honderden potten pindakaas in een grote bak. „Dat was het meest bizarre wat ik ooit heb meegemaakt”, zegt Weisz. „Ik heb pindakaas uit mijn oren gehaald, uit mijn neus en uit mijn mond.”

Die grote rekwisieten maakten de rol ook fysiek een uitdaging. „De plakbandrol die Wiplala in de film op zijn rug draagt, was in de studio een levensgrote, loodzware rol waardoor ik echt gebocheld ging lopen. Op een gegeven moment glijden we van een bezemsteel. Die was levensgroot, we moesten er gezekerd vanaf.” Voor sommige scènes, zoals de sprong van vader Blom (Peter Paul Muller) van een tafel naar een vliegenstrip, werd een stuntman ingezet. Aan de reuzenvliegenstrip zelf hing Muller in een tuigje.

Aan de opnames met de duif hield Weisz het meeste spierpijn over. „Het was een vrij brede constructie en ik heb van het voetballen nogal korte spieren. Het zat heel oncomfortabel. Ik dacht de hele tijd: please, laat het voorbij zijn. Terwijl ik moest doen alsof het fantastisch was.” Voor het groene scherm was de duif niet meer dan een bok van staal en hout. De kop en vleugels werden later geanimeerd. „Na de montage werkte er een Belgisch team van 30 man aan dit soort effecten”, zegt regisseur Oliehoek. „De postproductie was enorm. Er zitten in totaal 1.100 effecten in. Het was daardoor een heel lang traject, waarin de film steeds meer groeide en beter werd. Ik heb de film wel 10.000 keer gezien in allerlei fases.”

Toch noemt Oliehoek niet de techniek de grootste uitdaging. „Toen ik het boek las, las ik geen techniek, maar mensen. Ik vind het heel spannend of kijkers van de personages gaan houden. Begrijpen ze het conflict in het gezin? Beleven ze een avontuur? Gaan ze met een blij gevoel de zaal uit?” Het meest trots is Oliehoek op de scène waarin Wiplala en Johannes over gevoelens praten. „Ze zijn zó lief daar. Techniek is alleen een middel om het verhaal te vertellen. Een heel leuk middel, dat wel.”