Walschaerts in intimistisch mooi kleinood

Bedrieglijke verhalen zijn het, die Mich Walschaerts vertelt in Duizend man sterk. Ze gaan over de doodgelopen relatie met zijn vriendin. Na vijftien jaar heerst er tussen hen alleen irritatie, onder een dun laagje beleefdheid. In die verhalen lijkt Walschaerts aanvankelijk een goeiige vent, onschuldig of misschien wel slachtoffer, maar steeds legt hij terloops zijn arrogantie en verraderlijke aard bloot.

Mich Walschaerts (de jongere broer van Raf, met wie hij al 25 jaar het duo Kommil Foo vormt) is een ontspannen verteller, die ontegenzeggelijk iets sympathieks over zich heeft, met zijn scherp gesneden kale kop en grijze, tot onder de mondhoeken doorlopende cowboysnor. En dan heeft hij ook nog twee muzikale kompanen, Alano Gruarin op piano en Egon Kracht op contrabas, die warm vloeiende tonen tegen zijn woorden vlijen. Zij begeleiden hem als hij met zijn rauw-hese stem inventief geformuleerde liedjes zingt.

Als zij handig een akoestische versie van het catchy hitje Wallpaper van Staygold spelen en Walschaerts danst, verpest hij de stemming door te roepen dat hij – „sorry dames” – alleen valt op jong en strak. Zo gaat het ook in ontmoetingen met een vriend en met zijn vriendin.

De belangrijkste troef die Walschaerts heeft, is een poëtisch beeld van zijn innerlijke stem: de Ridder Indiaan. Dat is de man die hij als kind wilde worden en die in de bedverhalen voor zijn zoontje de beschermende held is. Zo balanceert dit intimistisch kleinood van een voorstelling mooi tussen verschillende emoties.