Reken na Kuzu & Öztürk op nog meer scheuring

Het aantal Kamerleden met een mandaat door voorkeursstemmen zal toenemen. Dat wringt, menen Rudy B. Andeweg en Joop van Holsteyn.

Het Nederlandse electoraat is losgeslagen van oude ankers. De schommelingen zijn groot, zeker sinds de Kamerverkiezingen van 1994. Kiezers wisselen relatief eenvoudig van partij. Politici weten dat. En onder die politici heerst de opvatting, dat ook of juist bij verkiezingen sprake is van personalisatie van de politiek. Steeds vaker zou de kiezer zich laten leiden door de persoon van de politicus. Dan gaat het niet alleen om lijsttrekkers, maar ook om anderen op de kandidatenlijst.

Het vertrek van Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk uit de PvdA-fractie kan in dit licht worden bezien. Hun vertrek roept vragen op over de gevolgen van voorkeurstemmen voor de eenheid van Kamerfracties. Kuzu haalde in 2012 als nummer 27 op de lijst 23.067 stemmen, positie 5 op de ranglijst van sociaal-democratische stemmentrekkers. Hij hoefde slechts Samsom, Klijnsma, Plasterk en Jadnanansing voor te laten gaan en bleef Jacobi voor. Hij was één van de zes PvdA’ers die op basis van voorkeurstemmen rechtstreeks verkozen zijn verklaard. Daar is sinds de Kieswetwijziging van 1989 een kwart van de kiesdeler voor nodig, in 2012 ruim 15.000 stemmen.

Öztürk wist die drempel niet te halen en viel aanvankelijk als kandidaat 39 buiten de boot. Met 9.831 stemmen was hij echter wel de negende in de PvdA-ranglijst van stemmentrekkers, boven coryfeeën als Hamer, Arib, of Dijsselbloem.

Dat Kuzu en Öztürk het vanuit electoraal perspectief goed deden, was geen verrassing. Het aandeel voorkeurstemmen, uitgebracht op een andere kandidaat dan de lijsttrekker, is in de loop der jaren toegenomen van ongeveer 1 op de 20 kiezers in de jaren 1950 tot rond 1 op de 5 na de eeuwwisseling. In 2012 ging het om 18,9 procent, goed voor 27 Kamerleden die door ‘eigen’ stemmen rechtstreeks verkozen zijn.

Uit onderzoek weten we dat die aanzienlijke, groeiende groep voorkeurstemmers vooral kiest voor kandidaten met bepaalde kenmerken die relatief gemakkelijk uit het stembiljet te herleiden zijn: vrouwen, maar ook allochtonen. Die wijsheid is evenzeer bekend in partijpolitieke kringen.

In de berichtgeving over Kuzu en Öztürk is er op gewezen dat precies hun achtergrond een pluspunt vormde in het kandidaatstellingsproces. Zij hadden hun positie mede te danken aan hun wortels in en verbondenheid met delen van de Turkse gemeenschap, Kuzu in Rotterdam en omgeving, Öztürk in Limburg. In een tijd dat kiezers één voor één gewonnen moeten worden, is het binnenhalen van extra stemmen vanuit deze gemeenschap mooi meegenomen.

Kamerleden met veel voorkeurstemmen vormen overigens niet automatisch een bedreiging voor de fractie-eenheid. Er zijn eerdere incidenten bekend, maar zij liepen zelden (zo) hoog op.

Bij de 53 Kamerleden die zich sinds 1945 tot op heden van hun fractie hebben afgesplitst, speelden voorkeurstemmen slechts nu en dan een rol. Denk aan Rita Verdonk. Maar de verhouding tussen fractielid en fractie komt anders te liggen, als Kamerleden speciaal op de lijst zijn gezet vanwege een specifieke achterban of eigen beleidsprofiel. Naarmate zo’n Kamerlid de verwachtingen waarmaakt en daadwerkelijk veel voorkeurstemmen vergaart, groeit het risico dat een gevoel ontstaat een persoonlijk mandaat te hebben, los van de partij.

Dat heeft het CDA mogen merken met de voorman van Artsen zonder Grenzen Jacques de Milliano, die in 1988 veel voorkeurstemmen kreeg en vervolgens geregeld een afwijkend standpunt innam. Dat merkte de VVD toen Ayaan Hirsi Ali in 2003 wees op haar voorkeurstemmen om wijziging te eisen van de portefeuilleverdeling binnen de fractie. En nu krijgt de PvdA met Kuzu en Öztürk een koekje van eigen deeg.

Het geloof in een eigen mandaat in een context van (vermeende) personalisatie en een roep om een hechtere band tussen kiezers en verkozenen – ‘de straat op!’– is trouwens begrijpelijk, maar feitelijk niet overtuigend. Het gaat bij voorkeurstemmen veelal om personalisatie van de tweede orde: kiezers hebben een voorkeur voor een partij en kiezen daarna pas voor een persoon die namens deze partij gekandideerd is.

Dat kan voldoende voorkeurstemmen opleveren voor een zetel, maar van een individueel mandaat is dan slechts in beperkte mate sprake. Op basis van ruim 620.000 voorkeurstemmen in 2006 – meer stemmen dan lijsttrekker Rutte – verklaarde Rita Verdonk dat zij goed was voor zeker negen Kamerzetels. Maar toen zij niet langer kandidaat was voor de VVD, bleken die Kamerzetels toch meer van de VVD te zijn geweest dan het eigendom van Verdonk.

Het is een nuchtere les voor de eventuele ambities van het duo dat de PvdA heeft verlaten. En voor andere Kamerleden die, mogelijk in een roes vanwege het verkozen zijn via voorkeurstemmen, menen een persoonlijk mandaat inclusief achterban te hebben.

Het aandeel voorkeurstemmen is aanzienlijk. En het aantal Kamerleden met een vermeend eigen mandaat zal mogelijk toenemen. Dat kan gaan schuren met het mandaat dat de partij claimt te hebben verkregen. Ongelukjes liggen voor de hand, mede gebaseerd op misverstanden over wat voorkeurstemmen betekenen, in een tijd dat de persoonlijke campagne van kandidaten aan een opmars bezig lijkt. De kans dat Kuzu en Öztürk met hun opstapincident een blik op een toekomst van toenemende scheuring en fragmentatie laten zien, is dan ook verre van denkbeeldig.