Jihadisme genegeerd

De overheid heeft waarschuwingen over opkomend jihadisme jarenlang weggewuifd, vindt Halim El Madkouri.

Illustratie Angel Boligan

Al in november 2002 schreef ik samen met twee anderen een notitie getiteld Rekruteren voor de jihad. Dat was naar aanleiding van nota bene een oproep van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken. Maar toch wilde niemand in Den Haag onze notitie hebben. Pas in februari 2003 landde die op het bureau van een ambtenaar. Op 3 juli van dat jaar mochten wij aan een aantal hoge ambtenaren onze inzichten presenteren. Daarvoor hadden wij welgeteld 45 minuten.

De presentatie verliep ongemakkelijk omdat ons gehoor maar niet wilde geloven dat wij het over een reëel probleem hadden dat zeer waarschijnlijk uit de hand zou lopen als niet werd ingegrepen. Amper een jaar later werd Theo van Gogh vermoord door een jonge moslim die meende zo zijn ‘goddelijke plicht’ te mogen volbrengen.

Tien jaar later lijkt het alsof men eerst bloed moet zien eer men in actie komt. Tussen 2007 en 2012 heerste er een relaxte sfeer in Den Haag. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) verklaarde het salafisme als onschuldige lifestyle en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) mocht zich voortaan enkel met terrorismebestrijding bezig houden. De ontspannenheid werd ruw verstoord door de mededeling van AIVD-chef Bertholee in 2013 dat enkele tientallen jonge moslims vertrokken waren naar het Midden-Oosten om de ‘verwaarloosde jihadplicht’ weer in ere te herstellen. Moslims gaven massaal niet thuis. Sterker, zij en hun organisaties reageerden furieus: de mededeling zou misplaatst zijn en stigmatiserend.

Om te redden wat er te redden viel, stak de NCTV de hand in eigen boezem. In een eerste rapportage over terroristische dreiging in Nederland na berichten over het fenomeen ‘Syriëgangers’, stelde deze in één enkele zin vast dat de overheid de contacten met de moslimgemeenschappen heeft verwaarloosd. Eerst werd in tien jaar tijd het aantal radicaliseringsambtenaren en andere externe adviseurs meer dan verdubbeld, stegen de budgetten flink en werd het aantal ter zake getrainde professionals groter dan het aantal jihadisten zelf. Later werd die maatschappelijke infrastructuur weer genadeloos afgebroken zonder dat er over werkbare alternatieven werd nagedacht.

En of dat niet genoeg is, weigert een groep boze, jonge en mondige burgers met moslimachtergrond toe te geven aan de oproepen uit politiek en samenleving om het jihadisme te helpen aanpakken. Voor hen is het jihadisme een probleem van minder belang. Zolang Israël in hun ogen geen strobreed in de weg wordt gelegd, ‘discriminerende’ werkgevers niet aan de schandpaal worden genageld, de toon van het islamdebat niet wordt gematigd en Amerika niet uit de islamitische wereld is vertrokken, kan er geen sprake zijn van aanpak van uitwassen in eigen midden. Zo is een merkwaardige alliantie ontstaan tussen boze gematigde moslims en radicale praktiserende jihadisten die de eerste groep in de regel als afvallig beschouwen. Niettemin maken zij gretig gebruik van de ontevredenheid en frustratie van een niet verwaarloosbaar aantal jonge moslims.

Deze nieuwe context vraagt om een centrale aanpak door een doortastende overheid. Het beleid van decentraliseren en verantwoordelijkheden overhevelen naar gemeenten heeft nauwelijks iets opgeleverd in de strijd tegen het jihadisme. De meeste brandhaardgemeenten kampen met schrijnende tekorten aan gespecialiseerd personeel; de beschikbare middelen zijn ontoereikend. Bovendien spelen politieke verhoudingen in veel betrokken gemeenten een funeste rol. Menig burgemeester voelt zich gemangeld tussen Haagse eisen en gemor in de gemeenteraad. Het is dan ook niet verwonderlijk dat burgemeesters vaak niet verder komen dan de vraag: waarom mijn gemeente?

In de strijd om de hearts and minds van jonge moslims, moet de overheid haar eigen rechtsstatelijke verhaal tegenover dat van de jihadisten explicieter uiten. Met de betrokken (lokale) moslimgemeenschappen moet worden samengewerkt en omdat de steun en bewondering voor de ‘successen’ van IS groeiende is, moet het beleid op de lange termijn zijn gericht. Aanpak van de voedingsbodem van het jihadisme moet een centraal onderdeel zijn van het overheidsbeleid. Daarvoor zijn drie sporen nodig: repressieve harde aanpak, regressieve tolerantie en het kweken en behouden van vitale netwerken binnen de moslimgemeenschappen.

Ervaringen uit andere landen leren dat juridisch verdedigbare (lange) opsluiting niet alleen de samenleving gerust stelt, maar ook de jihadist de kans biedt om over zijn leven na te denken. Wanneer een jihadist in een schemergebied opereert en er geen juridisch bewijs tegen hem voorhanden is, dan is repressieve tolerantie een goed alternatief. Hij moet stevig onder de arm worden genomen.

Deze maatregelen sorteren pas maximaal effect als de overheid zich gesteund weet door de brede omgeving van betrokkenen. De conclusie ligt voor de hand: de beste informatie komt vaak daar vandaan.